elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kachelen

kachelen , [zaniken] , kachelen , Zaniken. Wat liggî tòch te kachelen! *Achterankachelen. Achteraanloopen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kachelen , kachele , stangen, tergen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kachelen , kachele , werkwoord , hard rijden (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kachelen , kachele , zwak werkwoord , Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): bevallen; WNT KACHTELEN, kachelen, onz.zw.ww. (van Kachtel, kachel); 1 - Eigenlijk. Van een merrie. Een kachtel (veulen) werpen. 2 - Figuurlijk. Van een opper of een schelf, of van eene lading, waar een deel van losgaat of uitvalt. Uitschieten, uitvallen (De Bo).
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal