elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kakstoel

kakstoel , kakstoul , kakstoele , (ouderwets), bepaalde kinderstoel
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kakstoel , kakstoel , de , kakstoel Wij hebt de kakstoel van eerder nog altied op zolder staon (Dro), Ie roekt ook aordig naor de kakstool je stinkt (Die), Harten zeuven is de boer zien kakstoel gezegd als je met een harten zeven nog een laatste slag aftroefde (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kakstoel , [toilet] , kakstoel , kinderstoel, vaak met uitsparing in het zitvlak voor de po.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kakstoel , kakstoel , kinderstoel. Ook: kienderstoel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kakstoel , kâkstoel , kinderstoel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kakstoel , kakstoel , zelfstandig naamwoord , de; kinderstoel (vroeger met po)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kakstoel , kasstoel , zelfstandig naamwoord , kasstoele , kasstoeltie , kakstoel, kinderstoel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kakstoel , kakstoel , kinderstoel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kakstoel , kakstoel , kakkestoel , kinderstoel met po in het zitgedeelte , ze zit aljêên bij ’t ete in de kakstoel = ze zit alleen bij het eten in de kinderstoel-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kakstoel , kakstoel , 1. kinderstoel met een gat in de zitting, met daaronder een pot, waarin kinderen hun behoefte konden doen; 2. (uit de vorige betekenis ontwikkeld) kinderstoel in het algemeen, dus ook de hedendaagse exemplaren.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kakstoel , kakstoel , zelfstandig naamwoord , kinderstoel met een pot (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kakstoel , [kinderstoel met potje ] , kakstool , (mannelijk) , kinderstoel met potje in zitting
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kakstoel , kakstoel , kakkestoel , zelfstandig naamwoord , kinderstoel met ingebouwd potje; Van Delft - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929); WBD (III.2.1:87) kakstoel = kamerstoel; Antw. KAKSTOEL zelfstandig naamwoord m. - kinderzeteltje met een tafeltje dat tot sluitsel dient, en een latwerk dat het kind belet er uit te vallen. Fig. iemand die flauwen praat verkoopt. Zoo 'ne kakstoel!; WNT KAKSTOEL 1) eigenlijk: een stoel om op te kakken; soort van kinderstoel met een gat in, en eene pot onder de zitting, tevens tafelstoel.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal