elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kalveroog

kalveroog , kalveroog , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Meestal in het meerv. kalverogen. Zekere plant. Grote madelief, witte ganzebloem, Lat. Chrysanthenum leucanthenum Pl. (OUDEMANS, Flora 2, 207; VAN HALL, Landh. Flora 134). – In dezelfde zin vermeldt VAN DALE koeieoog en osseoog. Evenzo worden gebruikt Hgd. kalbsauge en Eng. oxeye.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kalveroog , kalverogen , zelfstandig naamwoord , mv.; opvallend grote ogen (van een persoon)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kalveroog , kalversooge , zelfstandig naamwoord, meervoud , margriet (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal