elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kanjer

kanjer , kanjer , wat groot, forsch, sterk is, nl. in zijne soort, bv. een pootige vrouw, een dikke snoek, een groote rat, enz.: da’s n kanjer! = een monster, wat grootte betreft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kanjer , kanjer , (kanjǝr) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , 1) Een miserabele, lamlendige vent. || Och, ’t is ’en kanjer. Zo’n kanjer. – Ook een vervelende, moeilijke zaak. || ’t is ’en kanjer, ik weet niet hoe ik er mee an moet. – Soms ook een hachelijke zaak. || Dat ’s ’en kanjer, dat is een dubbeltje op zijn kant, ’t is een kwade kans. 2) Iets dat groot is in zijn soort, kokkerd. In deze zin ook elders in gebruik. || Kijk ers wat ’en kanjer. ’t Is ’en kanjer van ’en appel. Bij de 17de-eeuwse Hollanders is het woord kanjert zeer gewoon. || Dese geuse Spanjaerd, sou wel meynen schier, dat m’hem achten hier voor een’ meester kanjaert, VONDEL (ed. VAN LENNEP) 2, 697. Se sijn niet weert de kruymelen van een Brabants canjert te lecken, Klucht v. d. Pasquil-maecker voor den Duyvel 11. Jij mogt mijn brabantse kanjert iens kussen, verstaje dat wel, jou rechte helhont, TENGNAGEL, Frik in ’t veur-huys (ed. 1661), 22. Zijt ghy verwondert dat Canjaert is dus milt, en waer hy komt dat hy daer speelt de gilt: by sijn Moeders miltheyt machmen de sijn niet nomen: want sy gaf alle man, hy isser af gekomen, ROEMER VISSCHER, Brabbelingh (ed. 1669) 46, 3. Meester Canjaert heeft my verweten, dat mijn maet en ick zijn twee vreemde Poëten: dan kende hy hem selven, hy sou swijgen saen (spoedig), want sijn Moeder is van de Westfaelse slavinnen, en van hondert sou sy de vader niet kinnen, hy is vreemder dan vreemt, ald. 20, 57. – Kanjaart, kanjert schijnt dus een scheldnaam te zijn geweest voor de Spanjaarden en de hen navolgende Brabanders, en later voor elke kale pronker. Het woord is één met Fra. cagnard, luiaard, vadzig mens, “qui a la fainéantise du chien”, LITTRÉ 1, 453.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kanjer , kanjer , (of kainjer?): eene pootige vrouw, manwijf. In ʼt algemeen alles wat groot in zijn soort is, ook van voorwerpen; ook wel elders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kanjer , kanjer , kanjerd , de , kanjers , kanjer Hij vönk mij daor een kanjer van een snoek (Ruw), Wat een kanjer van een boom (Oos), ...van een zwien (Bov), ...een peerd (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kanjer , kanjerd , forse man , Dé's ne kanjerd van ne mèns én stéérk dét'tie is, dôr gôd'de vur um stôn. Dat is een forse man en sterk dat hij is, daar heb je niet van terug.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kanjer , kanjer , kanjerd, kaanjer , zelfstandig naamwoord , de; kanjer, groot exemplaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kanjer , kanjaard , zelfstandig naamwoord , forse persoon (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kanjer , knajer , (mannelijk) , knajers , kanjer , Inne Joeaster Koele zitte mich knajers van vèsse!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kanjer , kanjert , zelfstandig naamwoord , kanjer, exemplaar groot in zijn soort; – met paragogische t; Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  kanjert; WBD III.1.1:223 'kanjer' = penis; WNT KANJER, kanjert - B) 1) Iemand die voortreffelijk, uitnemend, uitmuntend is in zijn vak, in zijne soort; een baas; een heer, een Piet. 2) Iemand met een groot vermogen; van een aanzienlijken staat. 3) Iemand die door lichaamsgrootte of door lichaamssterkte, of door beide, uitmunt. 4) Overdrachtelijk van toepassing op zaken ...
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal