elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kaper

kaper , kaper , (vrouwelijk) , kapers , huif, vrouwenkapsel. Dit vrouwenhoofddeksel was voor ruim dertig jaren hier nog vrij algemeen, ofschoon in hoedanigheid van stof, vorm, en kleur verschillende. De zaanlandsche kaper onderscheidde zich door een platten kap, en licht- of donkerblaauwe kleur, van dien die in deze omstreek en verder noordwaarts gedragen werd; zijnde deze laatste rond van kap, iets langer van mantel, de buitenkleur zwart, van binnen licht blaauw. Nu al sedert eenige jaren draagt men hier geen kapers meer.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kaper , kaper , (mannelijk) , kapers , kaper.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kaper , kaper , kapert , zelfstandig naamwoord de , Ouderwetse hoofdbedekking voor vrouwen, gebreid van zware wol. De kaper bedekte het hele hoofd en de hals. Het woord is waarschijnlijk afgeleid van kap en mogelijk onder invloed van kaproen tot kaper geworden. Vgl. Fries kaper. Zegswijze de kaper(t) op hewwe, slecht gemutst of boos zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kaper , kapertie , het , kaperties , (Noo) = wollen muts, met 10 cm lange nek eraan geplooid
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kaper , kaper , zelfstandig naamwoord , de; 1. iemand die een vliegtuig, schip e.d. kaapt 2. iemand die hetzelfde wil hebben, nemen en dus met de ander concurreert (in verb.) 3. bep. kindermuts
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kaper , kaaper , zelfstandig naamwoord , strakke meisjesmuts met afhangende strook die nek en schouders bedekt (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kaper , kaoper , zelfstandig naamwoord , kaper; WBD III.3:204: 'kaper' = meisjesmuts met afhangende strook; ook; kapmuts
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal