elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kapoen

kapoen , kapoe:n , gesneden haan.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
kapoen , kapuin , zelfstandig naamwoord , gecastreerde haan (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kapoen , kapoen , zelfstandig naamwoord , Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): ónte kapoen - gehaaid persoon, c.q. grote deugniet; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KAPOEN is een verachtelijke naam of scheldwoord, hier van Brussel overgewaaid, alwaar de kaai-boeven, aldaar voor een zeer slecht slag van volk gehouden, aldus genaamd worden. Antw. KAPOEN zelfstandig naamwoord m. - deugniet, Fr. coquin; WNT KAPOEN III) 1) als een verachtelijke benaming, als een scheldwoord in 't algemeen; 2) vreemde gast, rare klant; 3) beklagenswaardig wezen; 4) in Z-Ndl. deugniet (eigenlijk of schertsend).
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal