elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: karnpols

karnpols , kaarnpools , zelfstandig naamwoord , stok in de karnton
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
karnpols , kaarnpols , kaarnpulse , de , (Zuidwest-Drenthe). Ook kaarnpulse (Zuidwest-Drenthe, zuid) = karnpols, z. ook bij pols
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
karnpols , kaarnpolse , kaarnpols, kaarnpoolsien , zelfstandig naamwoord , de; karnpols, in een karnton of in een melkbus gestoken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
karnpols , karpols , zelfstandig naamwoord , karpolsse , karpolsie , vergrepen of verstuikte pols Hij had ellek jaer een karpols van ’t peesteeke Hij had elk jaar een vergrepen pols van het handmatig bieten rooien (met de peespade)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
karnpols , kerpols , zelfstandig naamwoord , karnstok (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal