elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kemp

kemp , kèmp , zelfstandig naamwoord , hennep. Werd vroeger geteeld voor de vezels waar touw van gemaakt werd en voor het zaad dat goed vogelvoer was en nog is (kèmpzaod). Tegenwoordig kan hennep (cannabis) nog slechts clandestien geteeld worden, wat in feite ook gebeurt. Niet voor de vezels of de zaadjes, maar voor de vrouwelijke bloempjes die de befaamde (of de beruchte ...) marihuana opleveren. ’t Is maar hoe men er tegenaan kijkt ... Hennep werd ook uitgesproken als kènnep, waaruit weer kèmp ontstond.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kemp , [witte klaver] , kemp , witte klaver (trifolium repens).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kemp , kèmp , zelfstandig naamwoord , hennep (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kemp , kemp , (mannelijk) , hennep , Mèt kemp vèsse.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kemp , kèmp , zelfstandig naamwoord , hennep; WBD III.4.3:326 wilde kèmp - hennepnetel (Galeopsis tetrahit), ook 'neetel' genoemd; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kèmp (krt.89); Bont kän?p, zelfstandig naamwoord m. 'kennep' - hennep; Antw. KEMP (Kempen: kämp, kae ae mp) zelfstandig naamwoord m. - hennip, Fr. chanure; Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): kèmp - zn - hennep (Hennep werd ook uitgespr. als kènnep); WNT KEMP (uit kennep (kenp)) Cannabis sativa L.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal