elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ket

ket , kidde , (vrouwelijk) , dubbelde hit. Pl. d. kiddeln, haastig loopen. Kil. kitsen, ketsen, id.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
ket , kidde , (vrouwelijk) , hit.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ket , kid , kidde , kid (Ommelanden) = kidde (Oldampt, Westerwolde) = hit; hiervan Noorsche kidden. ’t Eerste woord is onzijdig, het andere vrouwlijk; bij v. Dale zijn beide vrouwlijk – Van een klein, dicht gedrongen, huwbaar meisje zegt men: da’s ’n dubbelde kidde. Noord-Brabant kid, kidje = klein paardje, hitje. Deensch kid = geit. Nedersaksisch kiddelen = snel loopen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ket , kidde , (mannelijk) , kidden , Hit. Ook geeft men dien naam aan een kleine vrouw. Kiddewagen – hittewagen. Gron. kid en kidde.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
ket , ket , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , In verkl. ketje. Klein paard, iets groter dan een hit. || Hij rijdt mit ’en ket. Wat loopt er ’en aardig ketje voor die kar. – Evenzo elders in N.-Holl. en in Friesl. || Zeker is het, dat men de Spek-halzen meest, en al vry gemeen, vindt, onder de Ketten of Hitten, welke hier te Lande, bijzonder in Noordholland, nog al aangehouden worden. ’t Schynt aan deze Soort van Paardjes natuurlyk eigen; misschien doet het klimaat van Hitland ’er iets toe. BERKHEY, Nat. Hist. 4¹, 180. Hitjes en ketjes, FOKKE, Boertige reis 3, 271. Een weldoorvoede Pater, die aanholde op zijn ruige ket, VAN LENNEP, Eduard v. Gelre 1, 17. In Hs. Kool wordt het woord vermeld in de vorm ked, kedde, evenzo in Friesl. kedde; VAN DALE heeft kid, kidde.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ket , ket , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Ook in verkl. ketje. Pret, pleizier. || Ket maken. Deer is ok niet veul ket an. ’k Heb groene ket (buitengewoon veel pleizier) ’ehad. Morgen is er ’en ketje (feestje, uitje). Ze houdt wel van ’en ketje. – Een ketje doen, hetz. als ketteren; zie aldaar. Spelen, van kinderen. || Willen we ’en ketje doen? – Vgl. de samenst. aapjesket, bruidje-ket, hinkeltjes-ket, koetje-ket, OPSCHUILDERTJES-KET op opschuilertje, paardjesket. – Ket is ook elders in N.-Holl. gebruikelijk (Taalgids 1, 113) – Vgl. kettig en ketteren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ket , ket* , ʼt Nederlandsche “uit den band” heeft ongunstige beteekenis; zie ook klensterboerken .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ket , kiddĕ , hit.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
ket , kidde , (mannelijk) , kidden , Hit. Ook geeft men dien naam aan een kleine vrouw. Kiddewagen – hittewagen. Gron.: kid en kidde.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
ket , kirre , kidde, kid , vrouwelijk , zogenaamde dubbele hit
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ket , kirre , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kirrn , kirrken , kedde
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ket , kidde , kirre , hit
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ket , ket , zelfstandig naamwoord de , Klein soort paard. Vgl. Fries kêdde. Zie het N.E.W. onder ket. Zegswijze je kenne van moin de ket wittele, loop naar de bliksem. Verkleinvorm ketje, in de zegswijze ’n sterk ketje, een klein, sterk (vrouws)persoontje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ket , kidde , kirre , klein paard.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
ket , kidde , kirre , paard.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ket , kidde , kedde, kerre , de , kidden , Ook kedde (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied), kerre (Kop van Drenthe) = ked, klein model paard Een kidde was goudkoper op de kost, hij was nich zoveul vreten neudig (Bov), Veur de oorlog, doe kwamen er altied dubbele kidden naor Nederland oet Rusland (Exl), Een dubbele kidde is zwaorder as een gewone kidde (Hav), ...een kruzing van een Russische kidde met een Belgische hingst (Sle), ..wordt ok zegd van van een grote, zwaore vrouw (Coe), maar Het is een kidde van een wief een kleine en vinnige vrouw (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ket , kidde , klein paard
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ket , kidde , ked (klein soort paard).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ket , kedde , kerre, kidde , zelfstandig naamwoord , de; bep. klein type paard
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ket , ket , vork, eetvork , wij ate vruger aljeen mar meej n’n ket = wij aten vroeger alleen maar met een vork-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
ket , kidde , kirre , klein paardje.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ket , ket , zelfstandig naamwoord , vork (Helmond en Peelland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal