elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kiep

kiep , kiepe , Gr. mand om op den rug te dragen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kiep , kiepe , mand, dien bijvoorbeeld een koopman in eijeren op den rug draagt.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
kiep , kiep , (vrouwelijk) , kiepen , hoed, vrouwenhoofddeksel. Vroeger droegen de vrouwen, vooral in de steden, zwarte hoeden, die men kiepen noemde; van sommige burgervrouwen worden ze nog wel gedragen; zij beschutten ruim zooveel als de tegenwoordige dameshoedjes.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kiep , kip , pet, Gron. kip, kippe, kips, kippien; Oostfr. kippe, kipse = lichte muts, mansmuts; Neders. kipse = vrouwenmuts. Bij v. Dale kip = kinderklapmuts. – Vroeger verstond men in Drente onder kip eene zwarte muts met eene veer of een geplooid zwart lint voorop en met ouderwetsche gouden haak en oog op zijde. – Kip zal een bijvorm van: kap zijn, evenals kove, in den St. Maartensdeun: Kip, kap, kovel, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kiep , kîpe , kîpse , (vrouwelijk) , draagkorf; pet.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kiep , kiep , kiepe , gevlochten draagkorf van venters in houten en ook in aarden voorwerpen: mit de kiep loopen = hout- en aardewerk venten. Zuid-Limburg kiepe; Oostfriesch kipe, Nedersaksisch, Holsteinsch kiepe, kiep, kip, kipe, kiepe, keupe, Middel-Nederduitsch kipe, kype = korf. Hessen kippe, kiepe, keipe = zak, linnen zak, enz.; Angel-Saksisch cype; Oud-Engelsch kipe, cûpe = korf; Engelsch cipe = groote korf, en: kipe = korf van wilgen, vischben; Noorweegsch kipa = korf van de waterwilg; kiep, op het Hoogeland een getraliede, langwerpige bak met vier armen, waarmede twee personen hooi, stroo, klaver, enz. kunnen dragen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kiep , kiep , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Een vrouw die kiept; zie kiepen I. Ventster met koek en suikergoed, welke alleen tegen St. Nicolaas uit venten gaat. De kiepen zijn meestal oude meiden, werksters of bakers, die dan bij haar huizen rondgaan met een mand of trommel met koek en daar fooien ophalen. Omdat die mand of trommel dikwijls maar voor de leus wordt medegenomen, zingen de jongens haar na: “Een haan en een hommel, en een turf in je trommel, en een kiep, kiep, kiep!” of “Een haan en een hen, en een koperen pen, van je kiep, kiep, kiep!” || Je viel vanmiddag haast over de kiepen. Daar komt alweer ’en kiep.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiep , kiep , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Hengselmand. || Zitten der eieren in je kiep? – Vgl. kiepen I. 2) Strooien vrouwenhoed van bijzondere vorm, met opgeslagen randen die met katoen zijn bekleed. Ook wel boerekiep; zie aldaar. || De kiepen beginnen uit de mode te raken. – Ook schertsend voor vrouwenhoed in ’t algemeen, vooral voor een oude, lelijke hoed. || Ik zel me kiep maar weer opzetten. Een ouwe kiep. Het woord kiep, kiepe, korf, is in algem. taal ongebruikelijk, maar leeft nog in verschillende dialecten; zie b.v. MOLEMA 199b (Gron.), O. Volkst. 1, 123 (Oost. prov.). Vgl. ook Mnl. Wdb. op kiepe en VAN DALE op kiepekorf. Overigens komt het ook in andere Germ. dialecten voor; zie b.v. GRIMM, D. Wtb. op kiepe, KOOLMAN op kipe. – In de bet. van hoed is het woord bekend in verscheidene gedeelten van N.- en Z.-Holl., in Gron., Oost Friesl., e. e. In Overijsel en Gelderl. bezigt men kiepe ook in de zin van pet (O. Volkst. 1, 123).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kiep , kiep* , 1, vergelijk oabram *, Hoogduitsch Kiepe, elders ook wel “kieps.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kiep , kip , zie kippe * en vergel. kip (5) bij v. Dale; in ʼt Hoogduitsch Kiepe = stroohoed.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kiep , kipse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kipsn , kipsken , zwarte hoge pet met klep
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kiep , kiêp kiepkiepekiepkiepkiep! , kippen bijeen roepen om ze te kunnen voeren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kiep , kieps , pet. [Wes]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kiep , kiep , zelfstandig naamwoord de , 1. Hengselmand. 2. Strooien vrouwenhoed die op de kap werd gedragen. Vgl. Fries kyp. 3. Kiepersvrouw. Zie over de mogelijke grondbetekenis van het woord het N.E.W. onder kiep.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kiep , kiep-kiep-kiep , roep om kippen te lokken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kiep , kieps , platte muts mit klep.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kiep , kiep , kippe, kiepsien, kip, kiepse , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook kippe (Zuidoost-Drents veengebied), kiepsien (Zuidoost-Drents zandgebied), kip (Kop van Drenthe, dva), kiepse (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. pet Opa dreug aaid een kiep op (Rol), Rek mij de kiep even an het is kaold an de kop (Hijk), Wat har die ’n raor kiepsien kiepien op (Sle), De flep van de kip klep van de pet (N:Rod), Ze hebt mie de kippe ofpakt (Bov) 2. vrouwenhoed (Zuidwest-Drenthe) Wat harren de vrouwlu vrogger rare kiepsen op (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kiep , kiep , kiepe, kiebe , de , kiepen , Ook kiepe (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën), kiebe (Veenkoloniën) = venterskorf of kastje met koopwaren, 1 meter lang, 1 meter breed, plat tegen de rug met banden over de schouder Vrouger luip de winkelier met de kiep op de rug het was een heile toer om dat ding weer op de rug te kriegen (Pei), Die hef de kiep op de nak (Sle), Der zit huil wat van mien gaoding in dei kiep (Erf), Wemelie Kruut hef jaorenlang met de kiep lopen (Gas), zie ook mars
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kiep , kiep , kiepe , tussenwerpsel , (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe). Ook kiepe (Veenkoloniën) = lokroep voor kippen Eerst een hiele lange kie...p kiep kiep al mar korter en vlogger (Hgv), zie ook tuut
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kiep , kiep , kjiep , tussenwerpsel , lokroep voor kippen en evt. kuikens
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kiep , kippe , zelfstandig naamwoord , de; hoedje met veer dat op het oorijzer kwam, bep. zwart vrouwenhoedje dat met banden onder de kin vastgemaakt werd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kiep , kiep , zelfstandig naamwoord , de; pet, hoge zijden pet, pet van zwarte zijde zonder klep; kiepien, et 1. eigenaardig soort hoed 2. kleine kiep
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kiep , kiep , zelfstandig naamwoord , kiepe , kiepie , vrouwenhoed die boven op de keuvel werd gedragen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kiep , kips , (zelfstandig naamwoord) , 1. zaaivat; 2. zak met pootaardappels; 3. meisjesmuts, vrouwenhoed; 4. mand, korfje.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kiep , kiep , zelfstandig naamwoord , melkbus (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kiep , kip , zelfstandig naamwoord , "Daamen - Handschrift 1916:  ""kip - groote blikken kan, waarin men vroeger bij de boeren karnemelk ging halen""."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kiep , kiep , vliegende kiep, systeem bij straatvoetbal waarbij de keeper tevens veldspeler is
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
kiep , kieps , pet
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal