elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kietelkei

kietelkei , kietelkéêjke , m , gladde steen om mee te kietelen. [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kietelkei , kietelkaaje , zelfstandig naamwoord , kiezelstenen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kietelkei , kietelkeike , rond glad steentje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kietelkei , kietelkèìjke , steentje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kietelkei , kietelkaai , kietelkaaike , grove grindsteen, fijn grindsteentje , bij d’n dieje kunde toch moeilijk kome, die hé d’n jille wèruft vol kietelkaaie ligge = bij hem kun je toch moeilijk komen, die heeft het hele erf vol grove grind liggen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kietelkei , kielekeike , zelfstandig naamwoord , kiezelsteentje (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kietelkei , kietelkèèj , kietelkaai , zelfstandig naamwoord , kiezelsteen (Helmond en Peelland; West-Brabant; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kietelkei , kietelkaaj , zelfstandig naamwoord , kiezelsteen; Tusse de rilze ligge veul kietelkaaje. - Tussen de rails liggen veel kiezelstenen. ...en gooiden nie al te veul kietelkaaien... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940); over zaand en kietelkaaikes... (Piet Heerkens; uit: Brabant, ‘Rikketikketik’, 1941); Cees Robben – Unne grôte kietelkaai... (19570119); H. van Rijen (1988): meej dieje kietelkaaj kunde fèèn schierve - met die kiezelsteen kun je fijn keilen. Beton ? De bestao uit kietelkaaije, zaand en sement! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); ...en ik ha al zôveul in men broekzakken. Elastiekskes, schôon gladde kietelkaaikes, schroefkes en spèkers, ze kosse aaltij te paas komen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); We vonden onderweege ôk allemol leuke kietelkaaikes... (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Toen zaag hij ineens ene kietelkaai... (Tony Ansems, Kaka Diedel Dee; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008); De Èftelingse stêene/ òf de Amersfoortse kei,/ die zèn der vergeleeke,/ zoas ik et hèb bekeeke,/ mar kietelkaajkes bij. (Henriëtte Vunderink, Kaajgaaf, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); WBD III.4.4:173 'Kietelkei' = kiezelsteen; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIEZEL-KEIJEN noemt men hier de steentjes, elders in ons Vaderland kezel-steen, kiezel-steen, en kittel-steen genaamd. Z.a. Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): kietelkaaje zn - kiezelstenen; Hees kielekeikes (I:25), kietelkeie (VIII:69); Bosch kielekei – kiezelsteen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal