elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kieuwen

kieuwen , kieuwen , (zwak werkwoord) , zie keeuwen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kieuwen , [kieuw] , keeuwĕn , hoeken v. d. onderkaak.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kieuwen , kaiven , kaken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kieuwen , kieuwen , 1. wangen bij de mens. 2. kieuwen bij vissen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kieuwen , kieuwen , woord, gebruikt om iemand in de verte te roepen, te kieuwen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kieuwen , kieuwe , roepen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kieuwen , kiewe , werkwoord , roepen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal