elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kindskind

kindskind , kindskinder , Men zegt: ’t bin zien klainkinder, of; ’t bin klainkinder van hōm, en: hij ’s grootvoader over heur, maar: ’t bin kindskinder, wanneer men alleen den graad van bloedverwantschap op het oog heeft, bv.: ’t zijn geene kinderen, maar kindskinder van die personen, dies een graad verder. Ommel. Landr. II, 57; III, 50: kindes-kinderen. (v. Dale: kindskind = kleinkind.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kindskind , kienskiender , mv , kleinkinderen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kindskind , keindskeinder , kleinkinderen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kindskind , kéndskénder , kleinkinderen , De kéndskénder komme nog gàère bè óns slaope, dan is't fist vur die manne. De kleinkinderen komen nog graag bij ons logeren, dan is het feest voor die kinderen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kindskind , kèìjndskèìjnder , kleinkinderen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kindskind , kendskender , kenskender , zelfstandig naamwoord, meervoud , kleinkinderen (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal