elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klak

klak , klak , (bijwoord) , klakkelijk, toevallig, onverwachts. Zoo klak kan een ding uitkomen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
klak , klakje , (klakkie) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Kalotje, (fluwelen) mutsje van oude heren. || Ik draag in huis ’en klakkie. – Elders voor pet; zie VAN DALE en DE BO op klak, klakke, en vgl. Fra. claque.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klak , klak , (bijwoord) , Klakkeloos, plotseling, onverwachts. || Wat komt die donderbui klak opzetten. ’t Was wel klak, maar we hewwe ’em toch direct vort’estuurd, toe we morken (merkten) dat-i stal. ’En ding ken toch klak uitkommen. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 54). Vgl. Tijdschr. 11, 62: klakkeloos.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klak , klak , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Modderspat, vlakke klonter vuil. || De klakken modder zitten an dat peerd zen poten. – Het woord komt met soortgelijke betekenissen in de meeste Germ. talen voor; zie Tijdschr. 11, 60.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klak , klak , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klàkke , klàksken , smak
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klak , klaak , zelfstandig naamwoord de , Klak, klodder, hoeveel klei of modder. | De klake prut lagge op ’t vloerkleid. D’r zit ’n klaak modder onder je iende skoen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klak , klak , bijwoord , toevallig (verouderd). ’t Kwam klak zô uit.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klak , klak , pet , És't rèègent of sneuwt is 'n klak lékker wáérm, zeeker és ge'r glad boovenóp zé. Als het regent of sneeuwt is een pet lekker warm, zeker als je een kaal hoofd hebt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klak , klak , zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel , de 1. in iene een klak naogeven iemand (achteraf) een slechte naam bezorgen 2. vlek 3. klakkend geluid, 1. op ‘klak’ lijkend geluid, het geluid ‘klak’
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klak , klak , hoofddeksel (meestal een pet) , vergit oew klak nie aanders pakt’n kouw = vergeet je pet niet, anders pak je een kou-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
klak , klak , pet
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
klak , klak , zelfstandig naamwoord , pet, muts (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
klak , klak , zelfstandig naamwoord , WBD III.1.3:182 'klak' = pet; ook: 'klep'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal