elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klamper

klamper , klamper , klampert , zelfstandig naamwoord , sperwer, havik. Als een klampert wordt gesignaleerd raken de duivenmelkers in paniek. Hij is een erfvijand van de duiven. De grote sperwer (accipiter nisus) lijkt erg veel op de havik (accipiter gentilis). Vandaar dat het woord klampert wel voor beide vogels wordt gebruikt.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
klamper , klamper , torenvalk , Ne klamper gi in de lócht hange én kèkt dan of ie gin mûis zie ritsele. Een torenvalk gaat in de lucht hangen en kijkt of hij een muis ziet ritselen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klamper , klaamper , torenvalk
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
klamper , klamper , sperwer
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
klamper , klaamper , klamper, klamperd , zelfstandig naamwoord , roofvogel (Helmond en Peelland; West-Brabant); klamperd; roofvogel (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
klamper , klamper , klaamper , zelfstandig naamwoord , "WTT 2012 - naam voor diverse roofvogels, zoals buizerd, havik, en sperwer. De naamgeving houdt verband met (vast)klampen, klemmen, het met de klauwen vangen van de prooi. (zie lemma Klamper in Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Klaas J.  Eigenhuis; 2004); In Tilburgs gebruikt voor de sperwer (Accipiter nisus), cf. Daamen, Handschrift 1916: ""klaampvogel - sperwer""; 'Nen klaamper *) die viet z'en *) -noot van Sterneberg bij dit woord: sperwer; die heej ze [de duif] vermoord / en nou dwerlen nog ennigte veeren; / die doen aon d'r denke' as / zo'n hil enkeld woord / aon gedachten, die noit niemir keeren. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: ‘Vluchtende gedaachten’, 1932); WBD III.4.1:196 'klamper' - sperwer (Accipiter nisus), ook 'klampvogel' of 'schietklamperd' genoemd; Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): ;  (blz. 94) as de kiepe ene klamper zien zèn ze bang; Kees en Bart:  klamper; Cees Robben - Toen was't de beurt aon smellekes.../ Aon klampers en d’n uil (19600708) (19600708); WBD III.4.1:198 'klamper', 'klamperd' - buizerd (Buteo buteo buteo); WNT KLAMPER - In Vl. België de alg. naam der dagroofvogels, zooals sperwers valken, haviken enzHees klamper (II:17); Bont klampvogel, havik; WNT KLAMPER. In Vlaamsch België de algemeene naam der dagroofvogels, zooals sperwers, valken, haviken enzAntw. KLAMPER znw.m. -Algemeene benaming voor de dagroofvogels, zooals sperwers, valken, haviken, enzBiks klamper(t) zn - sperwer, havik; WBD III.4.1:200 'klamper', 'klamperd' - torenvalk (Falco tinnunculus); WBD III.4.1:200/201 'klamper', 'klamperd' - roofvogel (algemeen)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal