elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klepel

klepel , kleppel , (mannelijk) , kleppels , klepel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
klepel , knepel , klepel; Oostfriesch knäpel, Nedersaksisch kneepel. Zie: knapbus.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klepel  , klaepel , klepel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
klepel , klepl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klepls , kleplken , klepel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klepel , klepel , klèpel , de , klepels , Ook klèpel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied veroud.) = klepel Hij hef wel een klokkien heuren luun, maor hij wet niet waor de klèpel hangt (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klepel , klepel , klepel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klepel , klèpel , (zelfstandig naamwoord) , klepel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
klepel , klippel , zelfstandig naamwoord , knuppel (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
klepel , klieëpel , (mannelijk) , klieëpels , klieëpelke , klepel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal