elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klets

klets , klets , uitroep bij een’ onverwachten of plotselingen val. Zie klabbots.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
klets , [iemand die kletst] , klets , onzedig vrouwspersoon.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
klets , klets , zie: kletslullen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klets , klis , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Klap, klets. || Pas op, of ik geef je ’en klis voor je billen. – Zie klissen.I.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klets , klets , zie kletslullen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
klets , kletsje voor de kat , klein toegiftje van den melkboer.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
klets  , klets , De klets te pakken hebben, een kou vatten. De hebs de klets weg, je hebt het te pakken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
klets , klets , v , a/praat Án de klets hoûwe Aan de praat houden, b/onzin klets verkope onzin vertellen; flauwe kul Wá ’ne klets wördt daor verkôcht! Wat een flauwe kul wordt daar verteld!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
klets , klets , m , oorvijg.klets án d’óre
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
klets , klets , v , ’n Flinke klets kriêge ziek worden, een flinke verkouwdheid oplopen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
klets , kles , zelfstandig naamwoord de , Kletsmeier, roddelaar(ster).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klets , klets , de klets weg krîege: verkèld waere.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
klets , kletske , en restje drânk of aete.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
klets , klets , tussenwerpsel , klap, klets Klets daor lig e (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klets , klets , klats , de , kletsen , Ook klats (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. klap Dat kind krig op tied een klats an de oren (Bco), Hij kreeg een klets an de kop (Pes), Zel ik die ain klets verkopen? (Vtm) 2. laster (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) Zij hebt hum ’n mooie klets naogeven (Zwig) 3. het kletsen (Zuidwest-Drenthe, noord) Ze bin aordig an de klets (Die) 4. galop, draf (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hij gung der in de volle klets langes (Hijk), Ik heb in ’n klets lopen, aans was ik niet op tied in hoes (Eex), Dommee gaot ze je op de klets op hol (Sle) *Klets klats klaander / Van de iene bil op de aander of Klits klats klaander / Van de ene bil op d’ aander / Flits flats floet / Veur Jan zien dikke stoet van slaag (Hgv), ook Klits klats klaander / Slaot mij niet mar ’n aander (Ruw); Klets klats klaander / De benen van ’n kaander / Wat der tussen / Zult ale meens wel lusten een joskoekeniezer (And), of Klits klats klaander / Van de iene bil op de aander / Eerst slap dan stief / En dan een jonge meid in het lief (Sle), of Flik flak flaander / Van de iene bille op de aander / Hij hef hum slop en dan stief / Laeter slop in het lief een nieuwjaarskoek (Dwi), zie ook flik, flaander
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klets , kléts , verkoudheid , Zèt’tew’wen hoed dan ók óp és ge nô bûite gô, nouw héd'de wir 'n kléts te pakke. Zet je hoed dan ook op als je naar buiten gaat, nu heb je weer een verkoudheid.
T’is krék wiir um 'n goej kléts te vatte. Het is precies weer om een goede kou te pakken. Het is weer om een verkoudheid op te lopen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klets , klets , kletse, klats, klits, klitse , zelfstandig naamwoord , de; 1. klets 2. scheut, kwak water, modder e.d. 3. kletspraatjes; kletse in op ’e kletse op de loop; kletsien, et 1. kleine klets, klap 2. in op een kletsien op een drafje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klets , klessie , zelfstandig naamwoord , klessies , kleine hoeveelheid in een juten zak (baaltje) Een klessie errepels en een zoochie peere en we zijn voor de zondag weer gesteld Een baaltje aardappels en een maaltje peren en we zijn voor de zondag weer gesteld
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
klets , klets pakke , kou vatten , kleed’oew eige goed aon, aanders pakte drek nog ’n klets = kleed jezelf goed aan, anders pak je direct nog een kou- ok al gaode efkes naor buite, doe d’altijd oewen das aon en zet oew klak op, aanders hedde zo ’n klets te pakke = ook al ga je maar even naar buiten, doe altijd je das om en zet je pet op, anders vat je zo een kou-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
klets , kletske , kleine hoeveelheid , ik heb nog ’n kletske staon = ik heb nog een beetje staan-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
klets , klèts , 1. verkoudheid, klap; 2. kletskous, (vermakelijk) geleuter , Ge hét zoo ’n klèts te pakke. Je hebt snel een verkoudheid opgelopen. , Hier, hédde ’n klèts um oe orre. Hier, heb je een klap tegen je oren., Tónprôter Chris hi ’n schòn klèts gehèèwe. Buutreedner Chris heeft vermakelijk geleuterd.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
klets , [bepaald kledingstuk] , klets , open klets, damesonderbroek die aan de achterzijde open is.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klets , [klein beetje] , klitsje , klitsjen , klein beetje.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klets , klèts , zelfstandig naamwoord , verkoudheid (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
klets , kletske , klèdje , zelfstandig naamwoord , overschotje (West-Brabant); klèdje; overschotje (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
klets , klets , (vrouwelijk) , 2. verkoudheid , De klets te pakke höbbe: een verkoudheid opgelopen hebben.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
klets , [oorvijg] , klets , (vrouwelijk) , 1. oorvijg
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
klets , klejsjie , kleine hoeveelheid; dun laagje; geef m’s ’n klejsjie pospepier
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
klets , klèts , zelfstandig naamwoord , klètske , klets; 1. verkoudheid; - uitdrukking  en klèts vatte - kou vatten, een verkoudheid oplopen; ...en d'r moeder gooide gaaw 'nen doek om d'ren langen hals, dè ze geen klets zou vatten... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938); WBD III.1.2:295 'een klets te pakken hebben' = een verkoudheid hebben; WBD III.1.2:296 'een klets vatten' = idem; WBD III.1.2:299 'klets' = verkoudheid; Hees 'n klets pakke (VII:20); Antw. KLETS znw.v. -  En klets pakken - eene verkoudheid of wat ergers opdoen2. samenstellingen met kletsen = praten; zie klètskoek, klètskop; zie klètse; Cees Robben: Wè heej jöllie zjuuleke tòch ene klètskòp!; WBD III. 3.1:280 'klets', 'kletserd, kletswijf' = kletswijf; 3. kleine hoeveelheid, kliekje; kZaag in de kaast zon viertal flèsse,/ meej wè klètskes derin, staon./ Omdèk et sund vond wèg te gôoje,/ hèk et bij mekaar gedaon. (Henriëtte Vunderink, Wèèn?, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); WBD III.2.3:126 'kletsje' = kleine hoeveelheid eten; WBD III.4.4:262 'klats', 'kletsje' = scheut; WBD III.4.4:265 'klets', 'kletske' = klein overschot; Antw. KLETS znw.v. - KLETS, kletsken - kleine hoeveelheid die in een glas, eenen pot, eene mand of een vat overschiet; eene kleine hoeveelheid graan, en [ontbrekend woord?]; 4. klap; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KLETS: Iemand de klets geven: slaan of wonden, i.aAntw. KLETS znw.v. - Fr. coup, souffletCornelis Verhoeven - KLETS (klèts) 1) m. kletspraat; 2) v. verkoudheid: 'n klèts vatte.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
klets , klets , een kouwe klets; een glas bier
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
klets , kletske , restje
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal