elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klieken

klieken , klieken , (intransitief werkwoord) , morsen. Zie lestjes.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
klieken , klieke , spugen (met een fluim).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
klieken , klieke , werkwoord , Morsen (bij het eten).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klieken , klieke , werkwoord , eten laten staan (LPW: Cab); ‘Je mag niet klieke.’ (Cab) Houdt verband met kliekje .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
klieken , klieken , spuwen. wie kan d’r ’t weidste klieken?, wie kan het verste spuwen?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
klieken , kliekke , spuwen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
klieken , klieke , werkwoord , spugen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal