elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klootachtig

klootachtig , klóótáéchteg , nietig , Moet'te nouw zóó'n ruzie maoke oover zó'n klóótáéchteg ding, t’is nog gróóte schand. Moet je nu zo'n ruzie maken over zo'n nietig iets, het is een grote schande.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klootachtig , klootachtig , bijvoeglijk naamwoord , dom en suffig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klootachtig , klóótèchteg , bijvoeglijk naamwoord , nietig (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal