elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kloten

kloten , klooten , (werkwoord) , foppen, bedriegen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kloten , klö̀tten , (zwak werkwoord) , niets beteekenende arbeid verrichten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kloten , kloeëte , knutselen, prutsen. Wa zitte daor toch te kloeëte! Wat zit je daar toch te prutsen.. [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kloten , klôte , werkwoord , Zie kloôtzakke.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kloten , kloten , (Veenkoloniën), in De klompmaoker kleufde de holt mit ’n kiele op de kloten hakblok (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kloten , kloten , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe) = 1. prutsen, zich behelpen 2. heengaan (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij wol der niks van weten en toen kön hij mar weer op huus an kloten, ... klootzakken (Uff)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kloten , kloten , iemand vervelen, lastig zijn. Wa ligd’r toch te kloten, wat ben je toch vervelend. zie ook vraelen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kloten , klóóte , klungelen , Wa lig'de toch wir te klóóte, schiet mér'res wa óp, anders köm'met nójt klaor. Wat ben je toch weer aan 't klungelen, schiet maar eens op, anders komt het nooit af.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kloten , kloten , werkwoord , knoeien, prutsen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kloten , klôôte , werkwoord , klôôt, klôôtte, geklôôt , [O] klootschieten (spel dat in de 19de eeuw nog in Oud-Beijerland werd gespeeld)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kloten , kloewete , litter nie te kloewete , vervelen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kloten , kloewete , voor de gek houden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kloten , klóóte , werkwoord , belazeren, prutsen, lummelen, vervelen (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kloten , kloute , werkwoord , prutsen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kloten , kloeate , kloeatj, kloeadje, gekloeatj , 1. bedriegen 2. voor de gek houden 3. klungelen , Doe mós mich neet kloeate.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kloten , klôote , zwak werkwoord , klôote - klotte - geklot , "Daamen - Handschrift 1916:  ""ze zullen me nie klooten (bedriegen)""; WBD III.1.4:52 'kloten' = aarzelen; WBD III.1.4:289 'kloten' = er zich niets van aantrekken; WBD III.1.4:367 'kloten' = iets slordig doen; WBD III.1.4:412 'kloten' = bedriegen; Goem. KLOOTEN wkw (klut?, g?klut) - foppen, tergen; Antw. KLOOTEN - foppen, bedriegen; Biks 'klòòte' zelfstandig naamwoord, ww - kloot, kloten; klot; tegenwoordige tijd enkelvoud van 'klôote'; Henk van Rijen - hij klot zôo mar aon - hij doet zo maar aan (zonder resultaat); WBD III.4.4:271 'klot' = kluit, kaanes, kop, hoofd; Frans Verbunt: zene kaanes vólvreete - onbeschoft veel eten; WBD III.1.1:194 'kanes' = maag; WNT VIII:1249 KANIS (II) znw. (m?) 'bargoensche' term, een straatwoord voor 'hoofd; 'kop', 'test'. Kanes, hoofd, Boeventaal"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal