elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klotig

klotig , klóóteg , nietig , Un klóóteg ding dé was dus zó'mér in miezereg kléén frutseltje, iet van niks dus. Een nietig ding dat was dus zomaar een miezerig klein ding, iets zonder waarde dus.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klotig , klóóteg , bijvoeglijk naamwoord , onbeduidend, klein (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
klotig , klôoteg , bijvoeglijk naamwoord , onbenullig; Cees Robben – ...die klôôtig aacht percent... (19660401)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal