elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kluiter

kluiter , kleuters , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze de kleuters bai mekaar houwe, orde op zaken houden, het bezit in takt houden. Kleuters is hier wsch, een bijvorm van kluiten in de zin van geld. Vgl. kluit.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kluiter , kluiter , zelfstandig naamwoord , borst (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal