elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kluwen

kluwen , kluun , kluwen garen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kluwen , kluwel , (vrouwelijk) , id.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
kluwen , klûen , klûens , kluwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kluwen , kloun , kloune , kluwen, v. Dale, Kil. kloen; ’n hijle kloune in toeze = een geheel kluwen in de war; opklounen = tot een kluwen opwinden, bij v. Dale kluwenen; ofklounen = van het kluwen afwinden. Oostfriesch klônen, Angel-Saksisch clove, Engelsch clew, Oud-Hoogduitsch kliuwi. Zegswijs: ’t is ’n klountje dat van zulf oflopt, zooveel als: de tijd zal het uitwijzen, inzonderheid: of een meisje (of vrouw) al of niet zwanger is; as ’k droad moar eerst heb den ze ’k kloun wel vienen, fig. = heb ik den draad maar eerst in handen dan zal ik het overige wel uitvorschen. Verkleinwoord klountje, Ommelanden klounje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kluwen , knuwen , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie kluwen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kluwen , kluwen , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , vgl. klouwen en kluw. – Te Assendelft zegt men ook knuwen. || ’En knuwen garen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kluwen , kluw , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Kluwen. Synon. kloen. || Een kluw garen. De kluw is in de tis (in de war). – Zie een zegsw. op haak. – De vorm kluwe komt ook bij KIL. voor en overeenkomstige vormen vindt men ook in andere talen; zie de wdbb. Kluwen is gevormd met een ander suffix. – Vgl. kluwen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kluwen , klouwen , (klouwǝ) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Kluwen (Assendelft). || Een klouwen garen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kluwen , kloen , (zelfstandig naamwoord onzijdig en vrouwelijk) , Kluwen. Als onzijdig woord algemeen Ned.; zie VAN DALE en FRANCK. || Een kloen garen, wol, touw. Zoek de kloen ers voor me op. – Overdr. een stevige kloen, een dikke stevige meid; een dikke kloen, een dik kind. || ’t Is ’en stevige kloen, hoor! – Zie kloenen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kluwen , klouwĕn , kluwen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kluwen , kluiven , (van garen, breikatoen, touw, enz.). Nog maar uit den mond van eene oude dienstbode gehoord, omstreeks 1880.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
kluwen  , klouwe , klouwe , kluiwke , kluwen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kluwen , kloun , kloune , kluwen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kluwen , kloen , kluwen. Een kloen sjet (sajet) opkloene.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
kluwen , kloen , klouwen, knouwel, knuwel , zelfstandig naamwoord de , Het kluwen. Verkleinvorm kloentje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kluwen , kluwen , klouwen, kloun, kloew, kloen, klowen, kloune , de , kluwens , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook klouwen of kloun (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe), kloew of kloen (po), klowen (sa:Rui), kloune (Veenkoloniën) = kluwen Dat kloun zit in een fosse (Bov), Ik mot nog even ain neie kloune anhechten (Vtm), Een klouwen wol van gesprenkeld gaoren (Eex), Wie hef oe zo’n mooie klouwen op ewunnen? (Die), Het is op een klein klouwentien, ... op een kört klouwentien, ... kluwentien wönnen het is gauw gebeurd, het is bijna zover (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kluwen , kluwel , kloewel, kloewen , kluwen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kloewel, Gunninks woordenlijst van 1908: kloewen (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kluwen , kluuwchien , kluwentje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kluwen , klowen , kluwen , zelfstandig naamwoord , de, et; kluwen garen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kluwen , kluwel , (zelfstandig naamwoord) , kluwen. Zie ook: knotte.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kluwen , kluwel , kluwen; kloen (Putten).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kluwen , klaw , zelfstandig naamwoord , kluwen touw (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal