elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knapper

knapper , knapper , (mannelijk) , tot een rolletje of staafje ingepakte centen of geld.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
knapper , knappers , zie: klappers.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knapper , knappert , altijd met olle voorop; zooveel als: oude vrijer, oud dier, of ook: oud voorwerp. Westfaalsch en allen knäpper, Nederlandsch (gemeenzaam.) oude knapper = oude knaap. Zie ook: knagge.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knapper , knappert* , Nederlandsch (gemeenzaam) oude knapper = oude knaap.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
knapper , knäppert , mannelijk , kapje van een wittebrood
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
knapper , knaprd , zelfstandig naamwoord, mannelijk , knaprds , knal
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knapper , knapper , m , knapper (= Een rolletje munten) = ’n Rölleke kliêngèld
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knapper , knappertien , knapperdien , het , knapperties , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook klapperdien (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. klappertje voor een speelgoedpistool Ik heb gien knapperties mèer veur mien pestol (Zwig) 2. zaadhuisje van bep. planten, bijv. de brem (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knapper , knapper , zelfstandig naamwoord , rol munten (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knapper , knèppers , zelfstandig naamwoord, meervoud , bejaarden (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knapper , [knikker ] , knepper , (mannelijk) , 1. favoriete knikker 2. krasse man
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knapper , knapper , zelfstandig naamwoord , 1. zoete kers; Spaanse kers; Prunus avium; ook: Cerasus avium; WBD III.2.3.168: donkerrode kers met grotere pitten; WBD III.2.3:169 'knapper' = zoete kers, ook' vleeskers'; 2. verpakkingsvorm van munten; WBD III.3.1:142 'knapper', 'knapperd' = cartouche (voor muntgeld.)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal