elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knauwen

knauwen , gnauen , onverwacht en snel van zich bijten, zooals bv. eene kat doet die geplaagd wordt; ook Oostfriesch; Nedersaksisch gnauen = bijten; umgnauen = van zich bijten, ook Holsteinsch. Het woord zal klanknabootsend zijn. Vgl. knauwen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knauwen , knaaien , (zwak werkwoord, transitief) , Verdraaien, met geweld stuk draaien. || Knaai de krek (kruk) van de deur niet stukkend. Je hebben ’et (hebt het) slot ’eknaaid. – Ook knauwen. || Wat zit die hond op dat bien te knaaien. – Vgl. knaai en afknaaien.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knauwen  , knouwe , knouwele  , knauwen. b.v. op een houtje voortdurend bijten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
knauwen , knaûwe , kauwen. Zit toch nie d’n héllen tied zò te knaûwe man! Zit toch niet steeds zo te kauwen, man!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knauwen , knauwe , werkwoord , Ook: plat praten, met veel nadruk praten. Zegswijze hai knauwt de knoupe van je jas, hij praat zeer plat.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knauwen , knowwe , kauwen.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
knauwen , knauwen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. knauwen Het peerd zit aan de boom te knauwen (Flu), Oenze hond lig lekker op de botties te knauwen (Ruw), Hol toch ies op mit zo op de naegels te knauwen (Die), Zit niet zo te knauwen onfatoenlijk te eten (Hgv) 2. manier van spreken (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Knaolsters en Grönnegers dei knauwt in plaots van proten (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knauwen , knáuwen , 1) stevig kauwen; 2) blijven zeuren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
knauwen , knauwen , een knauw toebrengen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knauwen , geknaauwd , geknabbeld , D’r kömt méérege nog nen dag wór de mûis nie ôn geknaauwd hébbe. Er komt morgen nog een dag waar de muizen niet aan geknabbeld hebben. Het is genoeg voor vandaag, morgen gaan we verder.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
knauwen , knaauwe , kauwen , Wa zit'te te knaauwe, is't vlis nie gaor messchien, vat dan mér iet anders. Wat ben je aan 't kauwen, is 't vlees niet gaar misschien, neem dan maar iets anders.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
knauwen , knauwen , gnauwen , werkwoord , 1. knauwend bijten 2. een beet toebrengen of een bijtende beweging maken 3. zodanig spreken dat men de indruk wekt lettergrepen of hele woorden in te slikken, vooral: Gronings spreken, met een Gronings accent spreken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knauwen , knáúwe , kauwen (w.w.)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
knauwen , knaawe , kauwen , kik d’n dieje daor, hij knaaw net oftie bang is da z’t afpakke = kijk hem daar, hij kauwt alsof hij bang is dat ze het van hem zullen afpakken-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
knauwen , knèèwe , onbeschoft kauwen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
knauwen , knaawe , werkwoord , kauwen (Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knauwen , knaawe , zwak werkwoord , kauwen, knauwen; plat praten; Cees Robben - “Ze zeggen.. (...) as detter nie deugt... De meensen nie praoten... Mar knaauwen... (19561006) [Prent ter gelegenheid van Robbens verhuizing van Tilburg naar Goirle]; - Zôo zaag ik list ene meneer/ zen bòrd vol zitte kwakke/ hij knaawde meej enen oope mond/ ge kostem heure smakke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Risteraosie‘); Henk van Rijen ze meugenet haawe; khèb liever wè te knaawe - ze mogen het houden; ik heb liever iets te eten; WBD III.2.3:5 'knauwen' = kauwen; Bont kna.we(n), zw.ww.tr.+intr. 'knaauwen'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal