elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knecht

knecht , knechter , meerv. van knecht, als: wichter, hoonder, kiender, enz. van wicht (meisje), hoen, kind, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
knecht , knech , knecht, knechte , (mannelijk) , knecht.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knecht , knecht , in bepaalde gevallen voor: eerste knecht bij een’ boer, ter onderscheiding van: middelste: “Ik besteedde mie doar bie Jan Hinders veur knecht.” (Het meervoud van: knecht altijd: knechten; maiden en knechten = dienstpersoneel.)
olle knecht, zie: olle.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knecht , knechtjen , knechjen , Een jongen hoorde ik meermalen met dit woord aanspreken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
knecht , knecht , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meerv. knechtsen (uitspr. knechsǝ) en knechts (uitspr. knechs). De vorm knechtsen was reeds in de Middeleeuwen in N.-Holl. gewoon. || Gherdt den tymmerman … met sinen twien knechtsen, Rek. v. Egmond, f° 25 v° (a° 1388). Evenzo Rek. d. Graf v. Holl. 2, 79; 306; 422 e. e. (a° 1343/4); Oorl. v. Albr. 75 vlg., 78, 91 vlg., 239, e. e. (a° 1398-1400). Voor het tegenwoordig gebruik zie men WINKLER, Dialecticon 2, 50 en 66. – 1) In verkl. knechie. Jongen; alleen van kleine kinderen. Deze bet. begint te verouderen, doch is te Assendelft nog zeer gebruikelijk. || Me vrouw is bevallen van ’en knechie. Hij heb allegaar knechies (zijn kinderen zijn allen jongens). De meisjes dragen rokken, de knechies dragen broeken (in het Sinter-Maartenlied). Vroeger was het woord in deze zin algemeen; vgl. Mnl. Wdb. III, 1622 en HUYGENS, Hofwijck, vs. 2650. 2) Dienaar, arbeider. Zie de wdbb. – Zegsw. Als de knecht een knecht heeft, dan heeft de baas er twee (gezegd als een luie knecht een andere huurt om zijn werk te doen). – Vgl. de samenst. middelknecht. 3) In verschillende overdrachtelijke opvattingen; vgl. jongen en knaap. – a) In een pelmolen. Een plankje op een klamp, dat men bij het zeven aan de kuip bevestigt, en waarop de maat staat, waaruit men de zeef bijvult. – b) In verkl. knechie. Bij de molenmakerij. Hetz. als woutermannetje; zie aldaar. Een stuk hout met gaten, waardoor men pennen slaat om het te bevestigen, en dat dient om het losgaan der wiggen te beletten. De knechtjes verschillen van gedaante naar mate de wiggen smal of breed zijn. – c) Op een schip. Een aan weerskanten uitstekend dwarsbalkje aan de koker van de mast, dat gebruikt wordt voor het vastmaken van touwwerk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knecht , knecht , zie grootknecht * en vergel. vent * 1; meervoud knechten, uitsluitend voor: knechts, bvb. maiden en knechten = dienstpersoneel; vergel. boer *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
knecht , knechtjen , knechjen , Een jongen hoorde ik meermalen met dit woord aanspreken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
knecht  , knech , knecht.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
knecht , knech , zelfstandig naamwoord, mannelijk , knechn, knechte , knechjen , knecht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knecht , knèêcht , m , knecht.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knecht , knecht , zelfstandig naamwoord de , 1. Knecht, arbeider. 2. Jongen. 3. Zoon. 4. Als vertrouwelijke aanspreekvorm tegen jongeren en leeftijdgenoten. | Hee knecht, hoe is ’t er mee? Wat is er, me knecht?. Meervoudsvarianten knechse, knechtse. Verkleinvorm knechie. 1. Knechtje. 2. Jochie. 3. Zoontje. | Ik hew zes knechies.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knecht , knèècht , knecht voor allerlei karweien, het manusje van alles.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
knecht , knechie , knechtje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knecht , knecht , de , knechten , 1. knecht Veur het volgend jaor hew weer een knecht wunnen (Pdh), De mulder zien knecht de wind (Dro), Ik bun dien knechie niet gezegd als iem. voortdurend commandeert (Bco), Die vrouw wordt daor as knecht gebroekt ze heeft werkelijk niets te zeggen (Sle), Hij is de duvel zien knecht hij is een slecht iemand (Wap), Hai kent de duvel en zien knecht en zien mouer iedereen (Vtm), Wie kent een eerste knecht en een tweide knecht, een vaste knecht en een losse knecht (Bov), ...de grote knecht veelal ouder dan 18 jaar en de kleine knecht van plm. 13 tot 17 jaar (Pdh), ... de volle knecht of eerste knecht (Klv), ...de oldste knecht en de jongste knecht (Bco), Wij haarden vrogger ’n vaaste knecht in het waark (Die) 2. grote jongen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Koom ies bij mij mien, kleine knecht (Rui) 3. hulpgereedschap (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) De planken weurden met een knecht in mekaar dreven en dan vastspiekerd (Oos), Met de knecht kuj een waegen optillen hefboom (Dwi), Haal mij de knecht is even op wandelstok (Hijk), De dekker holdt het reit bai mekaor met de knecht totdat hij het vastbonden hef (Nor), zo ook van het stoeltje van een rietdekker waarop het gereedschap lag (Zuidwest-Drenthe, noord) 4. in de olde knecht de duivel (Zuidwest-Drenthe, noord, wh, N) Bij de olde knechte te biechte gaon (Smi) *IJ kunt niet ieuwig bij mekaar blieven, zee de knecht die drie dagen bij ’n boer west was en toen weer weggung (Oos); Boerenknecht is boerenhond (Bco); Hond schiet mij een knecht (Emm), ...en blaf zulf tegen iem. die alsmaar commandeert (Nsch), ook Bestel je hond ik ben je knecht niet (Hoh); Eigen baos is zien eigen knecht (Hgv); Aj mij gistern wunnen hadden, dan ha’k vandaag je knecht west je kunt mij niet bevelen (Bor); De knecht mag niet veur de baos uutpraoten (Ker); De knecht mag niet veur de baos oetlopen gezegd als de bijzon voor de zon uitgaat; je krijgt dan slecht weer (Bov); Ie kunt bèter zien biebel wèzen dan zien knecht (Hgv); Zo heer zo knecht (Noo) of Zo boer zo knecht (Hijk); Al is de tied ok nog zo slecht / Het is beter klaine baos as grote knecht (Nor); Ondeugde is des duvels knecht (Koe); Lichtmissen slecht / Wördt iedere boer ’n knecht / Lichtmissen donker / Wördt iedere boer ’n jonker (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knecht , knèchtje , jongen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
knecht , knecht , knecht. De knecht ef em besteed ‘de knecht heeft zich voor een bepaalde tijd verhuurd’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knecht , knech , knecht.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
knecht , knecht , zelfstandig naamwoord , de; 1. iemand die bij een ander als knecht in dienst is, veelal: boerenknecht 2. jongen 3. verbindingsstuk tussen voor- en achterstel van een wagen, hetz. als hond 4. steunpunt waarin of waarop de pompzwengel steunt en draait, veelal als verbindingsstuk en de arm van de zwengel, ook bestaand uit een paal; bij een koperen pomp veelal vastzittend aan de muur 5. grote schroef op een honingpers 6. bep. timmergereedschap om planken bij elkaar te klemmen, in elkaar te drijven: sergeant
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knecht , knech , (zelfstandig naamwoord) , knechien , knecht.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
knecht , knèècht , knecht
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
knecht , knèègs , zelfstandig naamwoord, meervoud , knechten (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knecht , knèècht , zelfstandig naamwoord , knecht; Cees Robben – ...zunne knèècht (19591224); Dialectenquête 1876 - diejen boer heed'n luien knêcht - die boer heeft een luien knecht; WBD III.3.1:216 'knecht' = idem; Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): ;  (blz. 20) knèècht; (blz. 54.) plur. knèèchte; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - knèècht (krt.55); Bont znw.m. 'knaecht' - knecht
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal