elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knellen

knellen , kneln , werkwoord, zwak , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: knealt, verleden tijd: knealn, verleden deelw , knellen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knellen , knellen , knellen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knellen , knelle , werkwoord , met je eten spelen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knellen , knèlle , zwak werkwoord , R morsen, kliederen; De Wijs – Zit mee oew eten toch nie zô te knelle en te dabbe (17-10-1972); Cees Robben – Zit toch nie zôô te knelle, dabklôôt... (19841130); Zit nie zo te knèlle. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997); WBD III.1.2:96 'knellen' = morsen; ook: 'dabben, kliederen, muikelen'; WBD III.1.2:98 'knellen' = plassen met water; ook 'dabben'; WBD III.1.3:212 'knellen' = knellen, gezegd v. schoenen; ook: 'nijpen'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal