elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kneukel

kneukel  , kneukel , knokkel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kneukel , kniökkel , mannelijk , kniökkele , knokkel, kneukel. A-k ů in de kniökkele krijge!
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kneukel , knökkels , knokels, vingergewrichten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kneukel , kneukel , knokkel, knökkel, knukkel, knaokel , de , kneukels , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook knokkel (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), knökkel (Scho,Pdh), knukkel (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied), knaokel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. knokkel Ik bin vallen, ik heb de kneukels rauw (Row), Wat jokt hum de kneukels z’n handen jeuken (Dwi) 2. kreukel (Zuidwest-Drenthe, zuid) Zij had kneukels in de jurk (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kneukel , kneukel , (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Die is deur kneukel en bos egaone hij is gehard (Hgv), ook deur knekel en bos (Mep), zie ook kneukelbos
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kneukel , kneukel , 1. kreukel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kneuter; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kneukel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kneukel , knökkel , kneukel. “Deur knökkel en bos gaon”, wil zeggn, ’n muujlek lèèvn hebbm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kneukel , knoekel , kneukel, knukel , zelfstandig naamwoord , de; kreuk, kreukel, valse vouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kneukel , knökkel , (zelfstandig naamwoord) , knokkel, kneukel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kneukel , kneukels , knokkels boven op de hand
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kneukel , kneukels , vingers; deur het kneukelenbos gaon, veel tegenslag hebben (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kneukel , kneukel , zelfstandig naamwoord , alikruik (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal