elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knibbelen

knibbelen , knibbêln , kleine stukjes van iets afbreken; wel het doaran knibbeld? (bv. aan dien koek.) Verwant met knabbelen; ’t eerste met de vingers, ’t laatste met de tanden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knibbelen , knibbelen , Kibbelen. Knibbelderîje, kibbelarij, knibbelaar, knibbelaarster. Zö̂te wèzen, ak ü̂̂t bin, en n(i)eet knibbelen, hör kinder!
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
knibbelen , knibbelen , Kibbelen. Knibbelderîje, kibbelarij, knibbelaar, knibbelaarster Zö̂te wèzen, ak ü̂t bin, en n(i)eet knibbelen, hö̂r kinder!
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
knibbelen , knibbelen , zwak werkwoord , kibbelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
knibbelen , knibln , werkwoord, zwak , kibbelen, van kinderen of oude mensen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knibbelen , knibbelen , knibbelen, eknibbeld , ruzie maken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knibbelen , knibbeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe) = 1. ergens iets af knijpen As wij vrogger stoet mössen halen, zaten wij altied al an de körsten te knibbeln (Sti), Kinder haren de krenten uut de stoede knibbeld (Eco), Hie zit aal in de neus te knibbeln te peuteren (Sle) 2. afdingen De lu zit altied te knibbeln um het wat goedkoper te kriegen (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knibbelen , knieveln , zwak werkwoord, overgankelijk , knijpen Het jonkien knievelde de krinten oet de stoet (Zwin), zie ook knibbeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knibbelen , knibbelen , 1. afdingen; 2. ruzie maken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knibbelen , knibbeln , kibbelen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
knibbelen , knibbelen , werkwoord , 1. afdingen 2. knabbelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knibbelen , gnibbelen , werkwoord , stiekem ergens iets bij weg nemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knibbelen , knibbele , werkwoord , knabbelen (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal