elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knijper

knijper , [klemmer] , knijper , (mannelijk) , knijpers , klemmer, klemhout. Kleerenknijpers zijn hier bij de vrouwen wel bekend; men maakt ze van eiken takken, op een palm lengte afgesneden; het boveneinde is knoestig, terwijl het benedeneinde eene diepe insnijding heeft; zij dienen om de natte kleeren op de drooglijn te bevestigen. Honden, die gaarne wegloopen, zet men ook wel eens een zwaarder soort van knijper op den staart.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
knijper , kniepert , voor: knijp; in de kniepert zitten = in de engte, in de knijp, in benauwdheid verkeeren, verlegen zijn; v. Dale (gewestelijk) in de knijpert zitten. Zegswijs: as ’t op de kniepert ankomt = als er geen ontkomen meer aan is, als men het niet langer kan verbergen, als men gedrongen wordt, enz.; as kniepert an boord komt = als de nood dringt, als men zich in gevaarlijken toestand bevindt. Wellicht ontleend aan het enteren van schepen en verder overgedragen op een bezoek van den dood. Deensch knibe = klem, engte, nood.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knijper , knijper , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – In verkl. knijpertje, kaas die knijpt; zie knijpen. || ’t Is slechte kees, der bennen veul knijpertjes en pissertjes bij.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knijper , [knel; vrek; knijpend voorwerp] , knîpert , H(i)ee zit in de knîpe(r)t. Ook wel: H(i)ee knip ’m. Of: zit ’m te knîpen, zit in de pîpzak. Ook ’n zü̂nege knîpert.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
knijper , kniepert , m , benauwd persoon, gierigaard.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knijper , knoiper , zelfstandig naamwoord de , Ook: produkt waar vocht uit sijpelt als men er in knijpt, bv. kaas, aardappel, ui. Zegswijze ’n benauwde knoiper, een gierigaard.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knijper , knoiperd , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze in de knoiperd zitte, in angstige spanning zitten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knijper , kniepert , 1. erg zuinig iemand. 2. iemand die knijpt of erg bang is.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
knijper , knieperd , 1. iemand die erg zuinig is; 2. iemand die knijpt.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knijper , kniepertie , knijpertje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knijper , knieper , knipper , de , kniepers , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook knipper (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. wasknijper Hij kreeg de knipper op de neus de pin op de neus (Pei) 2. haak, knip aan ketting (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Een knieper an de lien en een knipper an de leide (Sle) 3. klemmetje in het haar (Veenkoloniën) 4. geelgors (Zuidoost-Drents veengebied), zie ook bij kniep
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knijper , knieper , knieperd , de , kniepers , 1. inhalig iemand, gierigaard Wat een knieperd, die kan ok niks missen (Wei) 2. in As de knieperd an boord komt, kan een meinse veule (Die), ...an de nood komp... (Klv), ...knieper bij de man komp... als de nood aan de man komt (Sle), As het op de knieper ankomp is e der nooit (Eev) 3. (Zuidoost-Drents zandgebied), in een stille knieper een geluidloos windje (Sle) 4. (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), in in de knieperd in angst Zij hef nogal in de knieperd ezèten aover het examen (Bro) *Ie mutten oen naoste liefhebben, zei de knieperd en hij likte de katte de krummels van de bek (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knijper , knipke , wasknijper. mv. knipkes.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
knijper , knieperd , gierig persoon
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knijper , knieper , knieperd , zelfstandig naamwoord , de; 1. wasknijper 2. in iene de knieper op ’e neuze zetten het vuur na aan de schenen leggen, de wacht aanzeggen; knieperd, de; 1. een overdreven zuinige persoon, vrek, inhalig iemand die een ander niets gunt 2. in in de knieperd met grote zorgen, in de rats
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knijper , knieper , (zelfstandig naamwoord) , knijper. Zie ook: wasknieper, wasknippe.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
knijper , knieperd , (zelfstandig naamwoord) , gierigaard, zuinig iemand. Zie ook: kniepkonte, kniepköttel, krente, pennefokse, pieneköttel, pintond, zunigerd.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
knijper , kniep , knieperd, kniepkeutel, kniepköttel, kniepkoent , vrek.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
knijper , knieperd , zelfstandig naamwoord , achterbaks persoon (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal