elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knijperig

knijperig , knieperig , gierig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
knijperig , kniepereg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , overdreven zuinig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knijperig , knieperig , zuinig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
knijperig , knieperig , erg zuinig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knijperig , knieperig , bijvoeglijk naamwoord , overdreven zuinig Ze waren zo knieperig, ze beten de halve cent nog halfdeur (Hgv), Die kerel is ja zo knieperig as ’n loes (Eev), IJ heuift niet zo knieperig miegerig te dooun (Gas) z. ook gierig, schaal
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knijperig , knieperig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. overdreven zuinig, gierig 2. in toenemende mate vorstig, met scherpe vrieskou
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knijperig , knieperig , (bijvoeglijk naamwoord) , gierig, krenterig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
knijperig , knoepereg , bijvoeglijk naamwoord , zuinig (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal