elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knobbel

knobbel , knobbel , (mannelijk) , dikte.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knobbel , knobbel , knubbel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast knubbel. Zie de wdbb. || Hij heb ’en knubbel op zen vinger.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knobbel  , knoebbel , knobbel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
knobbel , knoebel , m , knobbel, puist.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knobbel , knubelke , beultje.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
knobbel , knobbel , de , knobbels , Met rekking in Veenkoloniën = 1. knobbel Het ies was vol knobbels en bobbels (Hgv), De vinger is wat vergruid, der zit een knobbel op (Gas), Hij hef een knobbel an de hals (Pes), Der zitten knobbels an de eerappels (Wei) 2. grote hoeveelheid (Zuidoost-Drents veengebied) Wie hebt er nog ’n dikke knobbel veen zitten (Klv), zie ook knobbe 3. aanleg Die jong hef een knobbel veur wiskunde (Ass)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knobbel , knobbel , knobbel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knobbel , knoebel , kraakbeen , D'r zit me teveul knoebel in de zult, dôr zéij ik nouw nie zó kepot van. Er zit me teveel kraakbeen in de hoofdkaas, daar ben ik nu niet zo weg van.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
knobbel , knobbel , zelfstandig naamwoord , zie knorre
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knobbel , knoebel , knoebeltje , bult
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
knobbel , knoebel , knubbel , zelfstandig naamwoord , kraakbeen (Eindhoven en Kempenland); knubbel; knoop (in een touw) (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knobbel , knóbbel , (mannelijk) , knóbbels , knubbelke , knobbel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knobbel , knoebel , knoebels , knubelke , knobbel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal