elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knoeien

knoeien , knuuijen , sukkelen, vandaar verdanknuuijen = voortsukkelen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
knoeien , knooien , met groote moeite iets verrichten, vooral als zulks weinig waarde heeft: “’k wil daor zoo niet langer langs knooien” = dien weg niet langer met moeite berijden; “he knooide er doe teeng dat ie ’t pak wèr op de rukg kreeg.” Gron. knooien = tobben, slooven, zwoegen, lang en zwaar werken, zonder merkbaar vooruit te komen. ’t Zelfde woord als: knoeien, met gewijzigde beteekenis.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
knoeien , knoojen , (zwak werkwoord) , knoeien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knoeien , knoeien , (zwak werkwoord) , Zie de wdbb. – Ook: 1) Transitief Knijpen, stompen, stoten, meestal in het geniep; mishandelen. || Die grote jongen knoeit altijd zijn zussies en broertjes. Je wil me zeker weer knoeien. Kees knoeit me. – Evenzo in Friesl., Gron. en W.-Vlaand.; zie EPKEMA 248, MOLEMA 212, DE BO² 477. – Vgl. knoeier, knoeibast, knoeibeest, knoeivarken. 2) Transitief Drukken, kneuzen. || Je moete de orten (grauwe erwten) eerst effen knoeien, dan nemen ze beter vet an. – Vgl. Oost-Fri. knôjen, kneden (KOOLMAN 2, 311). 3) Transitief en intransitief Kreukelen. || Pas op, dat je je schone boord niet knoeie. Die prent is ’eknoeid. Knoei de boel maar in mekaar. – Zo’n gestreken jurk knoeit licht. – Evenzo elders in Holl. en in het Stad-Fri. Vgl. knoei 2. 4) Transitief Knakken. || Die ziekte het ’m ’eknoeid (hij kan nooit weer geheel herstellen). 5) Wederkerend Hem knoeien, zich knauwen, zijn gezondheid knakken. || Hij heb ’em mit dat zwummen (zwemmen) lillik ’eknoeid. 6) Intransitief Een wijze van knikkeren. Van twee spelers neemt de een enige knikkers in de hand; de ander legt daar een gelijk aantal bij. Om de beurt werpen ze nu al die knikkers tezamen in het kuiltje, terwijl het even of oneven aantal, dat daarin blijft liggen, aanwijst wie alles wint. Men moet echter twee keer achtereen winnen, eer uitbetaling volgt. Staat het na de tweede worp quite, dan wint geen van beiden (De Koog). Zie pompen. 7) Intransitief Borgen, op crediet verkopen. – Synon. klissen. || As je niet direct betalen wille, dan moet je maar bij me buurvrouw kopen: die knoeit. – Vgl. knoeister. Zie verder sigarenknoeier, stijfselknoeier en verknoeien.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knoeien , knooien* , zōk knooien = zijne gezondheid benadeelen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
knoeien , kneie , knēje , knoeien, morsen. - Lech niessoo te kneie (knēje) mit dabbraod!
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
knoeien , knôjen , Knoeien. Ȋ mot u èten n(i)eet dör mekare knôjen. Afl.: geknôj, knôjer. Sam.: knôjwark. Een verver wordt gescholden: varver, knôjer en bedarver!
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
knoeien , knooien , zwak werkwoord , knoeien, benadelen. Hei knooit ů: hij benadeelt je.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
knoeien , knoojn , werkwoord, zwak , knutselen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knoeien , knoeie , werkwoord , Ook: 1. Oneerlijk zijn. | Hai knoeit mit de melk. 2. Knijpen, pijn doen. | Dokter het m’n puur knoeid. Vgl. Fries knoeije. 3. Onstuimig stoeien of vrijen. Zegswijze z’n oigen knoeie, zijn gezondheid benadelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knoeien , knoëje , bratse.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
knoeien , knòjje , morsen, met veiligheid knoeien.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
knoeien , knooien , prutsen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
knoeien , knooien , knooien, eknooid , prutsen, klungelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knoeien , knooien , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. slecht werken, niet opschieten Zie bint daor altied an het knooien en komt nooit klaor (Gie) 2. knoeien, prutsen Die man zit altied an te knooien hij is nooit vrij (Vri), Nou moej is opholden te knooien daor met dat waoter (Eex), Zij zegt det die man knooit mit de dienstbode intiem is (Ruw) 3. hard en zwaar werken Zie mossen knoeien van ’s mörgens tot ’s aovends om aan de kost te kommen (Erf), Zie moet er hard tegen knooien um rond te kommen (Oos) 4. knakken, een flinke klap geven Die bloemen waren hielmaol knooid (Coe), (fig.) Het leven hef heur wat knooid (Sle) 5. sukkelen Hie knooit wat met de rugge (Zwe), Hij zit al zo lange te knooien die wordt niet weer beter (Klv), Hie knooit er aordig tegen hij wordt maar steeds niet goed beter (Sle) 6. stevig aanpakken Je moet die appels niet zo knooien (Bal), Kom mar ies hier, dan zal ik oe ies knooien gezegd wanneer men met iemand wil vechten (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knoeien , knooien , 1. knoeien; 2. mishandelen; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: verboden omgang hebben met. Gunninks woordenlijst van 1908: Met de meid in uus knooien. Ook: klongelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knoeien , knoojn , 1. knoeien, slecht werk afleveren. 2. buitenechtelijk geslachtsverkeer hebben. Hie knoojn met de diensbode van zien breur.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
knoeien , knoeien , knuien , werkwoord , 1. door weinig zachtzinnig aan te pakken beschadigen, letsel teweegbrengen, kwellen 2. morsen 3. prutsend, knoeiend bezig zijn 4. steeds ziek zijn 5. oneerlijk te werk gaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knoeien , knooien , (werkwoord) , knooien, eknooid , 1. knoeien. Iemand die “knooit” wordt vaak Jäntien-knooi genoemd.; 2. knutselen. Een ändige knooierd; 3. rommelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
knoeien , knooien , 1. zwoegen, ploeteren; 2. geslachtsgemeenschap hebben; 3. knoeien; 4. rommelen; 5. knutselen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
knoeien , knoeie , werkwoord , aanhoudend regenen (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knoeien , knoeaje , knoeatj, knoeadje, geknoeadj , knoeien
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal