elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knoeper

knoeper , knoeper , knoepert , m , kanjer, grote brok ’ne Flinke knoeper(t) Een flinke jongen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knoeper , knoeperd , zelfstandig naamwoord de , 1. Groot, log mens, dier of ding. 2. Dikke zoen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knoeper , knoepert , zelfstandig naamwoord , kanjer. De Slinger hè me toch ’ne knoepert van ’ne polling gevange! Hij heeft ’n kanjer van ’n paling gevangen. De Slinger was de bijnaam van Jaon van Oirschot, ’n bekend visser.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
knoeper , knoepert , erg groot iets.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
knoeper , knoeperd , sterke kerel, kanjer , Dé's ne knoeperd van ne vènt zèg, ge moet die gróóte hand 's zien, 't zén nèt kooleschuppe. Dat is een sterke kerel zeg, je moet die handen eens zien, het zijn net kolenscheppen.
Dé zén knoepers van érpel, daor kun'de friet van bakke, dôr zén't goej vur. Dat zijn kanjers van aardappelen, daar kun je patat van bakken, die zijn daar goed voor.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
knoeper , knoeperd , (zelfstandig naamwoord) , een groot exemplaar, een knoert.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
knoeper , knoeperd , kanjer , Ik hé ne knoeperd van ne vis gevange. Ik heb een kanjer van een vis gevangen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
knoeper , knoeper , knoepert , 1. kruisbes; 2. harde onweerslag; 3. groot exemplaar; 4. dik mens.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
knoeper , knoeperd , zelfstandig naamwoord , kanjer (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knoeper , knoeperd , knoepert,knòppert , zelfstandig naamwoord , WBD III.1.1:3 'knoeperd' = man; WBD III.4.4:222 'knoeperd' iets groots in zijn woort, ook 'kadee', 'klepper'; Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters; Een knoepert is heel grof gebouwd; hij is haast als een stier zo sterk; doet met plezier het lomper werk; of hij nou spaait of maait of sjouwt; knòppert; joviale benaming voor mannelijke personen; H. van Rijen (1988): kerel, kanjer, flinke knaap; Laps KNOEPERT - (ouwe - ) rare oude man
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal