elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knolraap

knolraap , knolderaop , m , knolraap.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knolraap , knolderaop , zelfstandig naamwoord , koolraap.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
knolraap , knolrape , knorrape , koolraap.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
knolraap , knolraepe , koolraap.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knolraap , knòlrape , 1. veevoer; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: koolraap
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knolraap , knolderaap , knolderaap , koolraap
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
knolraap , knolrape , (zelfstandig naamwoord) , koolraap.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
knolraap , knorraof , knorraove , knolrapen, korte ronde bieten aan de bovenkant donker en vanaf het midden grijs, voederbieten, bieten voor de koeien , knorraove vur de koei = bieten voor de koeien-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
knolraap , knolderôp , knolraap koolraap
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
knolraap , knurraop , knolraap
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
knolraap , knorraap , knullekes, koräpe , knolraap.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
knolraap , knolraop , knolderaap , zelfstandig naamwoord , koolraap (Tilburg en Midden-Brabant) ; knolderaap; koolraap (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knolraap , knòlderaop , knòlraop , zelfstandig naamwoord , Brassica oleracea; Piet van Beers – ‘’t Ôog moet ok wè hèbbe’: Nòst Bontjes slaoj èn knòlderaop,/ spinòzzie praaj èn jèùn. / Hek ok nòg hil wè blomme staon/ dè ôog gift òn de tèùn. (Spoeje doemmeniemer; 2009); Biks 'knolderaop' zn – koolraap; zie knòlraop; Brassica oleracea; zie knòlderaop; koolraap, koolrabi, 'knòlleraop', 'knòlraop'; WBD I:1420 knoprapen; 'knòlraop?', enkelv. 'knòlraop'; H. van Rijen (1988): 'knòlraop'; Frans Verbunt: 'knòlraop' - koolrabi; WBD III.2.3:106 'knolraap' = koolraap, ook 'knolderraap', 'knollerraap'; WBD III.2.3:108 'knolraap' = meiraap; Antw. KOOLDERAAP (scherpe o) znw.v.- soort v. knolplant voor het vee; Bont znw.vr. 'knolderaap' - 1) knopraap; 2) (schertsende benaming voor) groot lomp horloge.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal