elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knook

knook , knook , (knooken) beenen, beenderen. Hij verdient wat op zijn knoken, dat is: hij moest een pak slagen ontvangen of hebben. Kneuk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
knook , knòkke , (mannelijk) , knòkken , knok, knook.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knook , knoaken , (zonder enkelvoud) = beenderen, knoken; dikke knoaken hebben = een grof beendergestel bezitten; ook van menschen gezegd. Oostfriesch, Nedersaksisch, Holseinsch, Noordfresch knake = bot, been, ook = knokkel. Vgl. ʼt Hoogduitsche Knochen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knook , knook , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Overdr. ook hand. || Hou je knoken thuis. Evenzo elders in Holl. en in Utrecht.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knook , knaok , knöök , knöökske , knook.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
knook , knèûk , knöôk , mv , a/botten, b/knoken, handen Blief d’r mit ow lompe knèûk vanaf! Blijf er met je grote handen af!; handen, knoken, knokkels.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knook , knouke , zelfstandig naamwoord meervoud , Knuisten, handen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knook , knoak , mv. knöäk; diël vánt geraamte; enne loompe knörf.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
knook , kneuk , meervoud , beenderen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
knook , knoak , knöäk , vroag án Haelm (86): Woe giët ut nag Haelm? “och”, zaet Haelm, “ut giët wál már ik heb ut toch zoa verrekkes i mien knöäk!” Doën bi-j de knoak zit ut lekkerste vleis, wie ut doénst bi-j ut veur zit wermt zich ut best.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
knook , knoaken , botuieinden van een koe.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
knook , knaok , knoke, knaoken, knaoke, knaokel , meervoud , (Zuidoost-Drenthe). Ook knoke (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe), knaoken (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), knaoke (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën), knaok (Zuidoost-Drents veengebied), knaokel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), meestal meerv. = 1. bot Den hompelt aordig hij kun alle knoken wel kapot hebben (Bco), Wat heb ik het in de knaoken, wie kennen wel regen kriegen (Vtm), Het is niks as vel en knaoken (Bov) 2. vinger Hij hef wal wat in de knoken is sterk (Zwin), Die vent is zo stark, aj in zien knaoken vervalt binj niet best of (Bei), Ik zul de knaoken mar thuus holden (Wsv), Pas op aj de knaokens der niet in kriegt (Ruw), De knaokens har ik wit van de koolde (Eli), zie ook kneukel 3. (Zuidoost-Drents veengebied), in Een aolde knaoke een oud persoon of dier (Bco) *As aolde kaaie an het birzen koomt, dan rammelt heur de knaoken als je oud bent, moet je geen dingen doen, die bij de jeugd horen (Bco), zie ook klauw
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knook , knook , 1) noest in hout; 2) bot.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
knook , knoke , knaoke , been. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: knaoke
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knook , knooke , botten , Ik góój meej èùw knooke de noote nog'ges ût d'n bóóm. Ik gooi met jouw botten de noten nog eens uit de boom. Ik zal veel ouder worden dan jij.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
knook , knok , zelfstandig naamwoord , knokke , knokkie , knokkel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
knook , knook , noest (in hout)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
knook , knooke , gewrichten in je lichaam , m’n knooke doen zeer = m’n gewrichten doen pijn- ’t wor slecht weer, want ik voel m’n knooke overal = het wordt slecht weer, want ik voel m’n gewrichten door heel m’n lichaam-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
knook , knoôk , knoest bot , Hèij higget nie in zunne knoôk. Hij is het absoluut niet van plan.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
knook , knook , bot.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
knook , knook , knök , zelfstandig naamwoord , bot (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland) ; knök; meervoud; beenderen (Land van Cuijk
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knook , knoeak , (mannelijk) , knuuek , knuuekske , knook, bot , Alles oet zien knuuek laote valle: alles uit zijn handen laten vallen. Gaef daen hóndj eine knoeak. Gein knuuek in zie lief höbbe: lenig zijn. Hae haet de ganse waek sop gekoeaktj van eine knoeak: hij is erg gierig. Haoj dien knuuek bie dich: hou je handen thuis. Ich braek dich de knuuek es se det dörfs te doon: ik breek je botten als je dat durft te doen. Laot det oet dien knuuek: blijf daar van af. Mèt dien knuuek goeaj ich nog neut vanne buim: oude mensen vinden dat jonge mensen niet moeten klagen. Mien aoj knuuek wille neet mieër. Pien inne knuuek höbbe: pijn in de botten hebben. Uuever zien eige knuuek valle: over zijn eigen voeten struikelen. ’t Waer inne knuuek höbbe: aan zijn botten voelen dat er regen op komst is.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knook , knook , zelfstandig naamwoord , bot, been; R.J. enen òs moet wèl geknókt zèèn; Cees Robben: ene knook vur ónzen hónd; WBD III.1.1:28 'knook' = been, beenderen; Antw. KNOOK znw.v. - spr.: zijn knoken stijf en krom werkenWNT KNOOK - 2) been, bot, hetzij afzonderlijk of als deel van het skelet beschouwd.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
knook , knaok , knäök – knäökske , knook; bot
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal