elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knutsen

knutsen , knutsen , (zelfstandig naamwoord) , kneuzen. Hiervan heeft men ook het knuts. Zoo wordt gezegd: Met Paschen knutst men vele eiëren. – Met een glas aanstooten bij het drinken van elkander
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
knutsen , knutse , kapot tikken ’n Ei knutse De schaal van een ei kapot tikken; beurs maken ’nen Appel knutse [knutschen D.] Een appel beurs maken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knutsen , knutse , werkwoord , kneuzen, stoten. 1. Deez aaj is geknutst. Dit ei is gekneusd. 2. Ik zò die snotjòng wèl meej de koppe teejge-n-elkaar wille knutse.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
knutsen , knutse , werkwoord , kneuzen (Helmond en Peelland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal