elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kobbe

kobbe , koap , koab, kaap, kobbe , de larus fuscus of haringmeeuw, die vooral op Rottumeroog nestelt en den strandvonder aanzienlijke voordeelen oplevert. (Vóór eenige jaren is men begonnen hem ook op Borkum te lokken door hem er een rustig verblijf te verzekeren. Oostfriesch kobbe. sêkobbe, Helgoland kobb, Noordfriesch kub, v. Dale kobbe = zilvermeeuw, haringmeeuw; Friesch kobbe, zeekobbe = zeehen, zeeduif, zeemeeuw; Engelsch cob = meeuw, seacob = zeemeeuw; Kil. kobber = columbus. – In Zeeland is: kobi, een roofvogel met bruinzwarte veeren en veelkleurigen kop. Zie ten Doornk. art. kobbe.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kobbe , kob , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zekere vogel. Een soort van meeuw, zilvermeeuw, Lat. Larus argentatus. || Wat vliegen der weer ’en kobben. – Bij VAN DALE wordt kobbe als gewestelijk vermeld. Het woord is, behalve in Holl., ook gebruikelijk in Friesl., Gron. en Oost-Friesl. (kobbe, sêkobbe). Evenzo Eng. cob, seacob. – Vgl. kob-ei en kobmeeuw.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kobbe , kobbe , kokmeeuw
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kobbe , kobbe , zelfstandig naamwoord , de; 1. vetbult 2. meeuw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kobbe , kobbes , zelfstandig naamwoord , hoofd (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal