elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koekwous

koekwous , koekwaus , zelfstandig naamwoord , gek (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
koekwous , koekwous , zelfstandig naamwoord , ± koekebakker, koekert; dwaas, dromer; WNT KOEKEBAKKER De opvatting van sommigen dat het bereiden van zoetigheden een bedrijf is, een flink man onwaardig, gaf aanleiding tot het gebruik van koekebakker voor: onmanlijk persoon, knoeier, prutser; in het bijzonder: slecht zeeman.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal