elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koers

koers , koers , (om die) = ongeveer.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
koers , koers , In de Ommelanden zegt men: dat gait ’n koers oet = dat neemt eene harde vaart, in eig. beteekenis van een rijtuig dat snel afrijdt; en fig.: dat zal er op los gaan: “’t gong ’n eerlieks koers oet” (Marne) = ’t ging er omweg, men maakte veel drukte, had veel pleizier, enz.; elk gait zien koers = (in dat huisgezin) doet elk wat hij wil; boeten koers wezen = in een ijlenden toestand zijn; ’t is oet de koers = de naaste weg loopt daar niet voorbij, zooveel als: men moet uit den koers sturen om dat punt aan te doen; hij gait zien olle koers weer = hij doet alles weer naar ouder gewoonte, zoowel in ongunstigen als in gunstigen zin.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koers , koers , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze die koers zôwat, zo ongeveer | ‘Is ie al voiftig?’ … ‘Die koers zowat’. Verkleinvorm koersie, in de zegswijze die loupt ’t koersie nag, die kan nog best meedoen, die mag er nog best zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
koers , koers , de , koers Hij kun gien koers holden de juiste richting (Bov), Het behang gung een beetje oet de koers scheef (Schl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koers , koers , koers
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
koers , koers , rit , Héd'de ze ammel bè mekaore, we gôn wir fietse, we moete de koers nog afmaoke. Heb je ze allemaal bij elkaar, we gaan weer fietsen, we moeten de rit nog uitrijden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
koers , koers , zelfstandig naamwoord , wielerwedstrijd (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal