elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koeteren

koeteren , koetêrn , (Woltersum) = babbelen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koeteren , koeteren , (zwak werkwoord, intransitief) , Een der manieren van knikkeren. De knikkers in een koet (kuiltje) schieten (Wormerveer). Thans weinig gebruikelijk. – Vgl. koelkie-gof.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
koeteren , koetere , werkwoord , onrustig heen en weer lopen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
koeteren , koetere , zwak werkwoord , koetere - koeterde - gekoeterd , (onrustig) heen en weer lopen; Cees Robben – Ze muikelt en koetert in ’t rond (19700102); WBD III.1.2:18 'koeteren- = mompelend heen en weer draaien; ook: muikelen; WBD III.1.2:145 'koeteren' = ijsberen; Bont bijvoeglijk naamwoord  koeterig; tochtig, geil (van mannen en sommige mannelijke dieren als rammelaars gezegd).
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal