elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kog

kog , kogge , zelfstandig naamwoord de , Historische aanduiding van een waterschapsdistrict. Mogelijk is het woord verwant met koken (Duits kochen) in de zin van: opborrelend water in drassige grond (Opvatting Prof. Heeroma). Hiernaast wordt gesuggereerd, dat het district de naam kreeg van het (kogge)schip dat het voor de landheer moest uitrusten. De naam Kogge komt o.a. voor in het (voorheen zelfstandige) district de Vier Noorderkoggen en in de Schager en Niedorper Koggen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kog , kog , zelfstandig naamwoord , nachtvlinder (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kog , kòg , zelfstandig naamwoord , WBD III.4.4:271 ' kog' = brok
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal