elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kogel

kogel , kògel , (vrouwelijk) , kögeltjen, onzijdig kogel.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kogel , kûgel , (mannelijk) , bal, z. ook kògel.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kogel , kógel , (vrouwelijk) , kögeltjen , kogel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kogel , kûgel , (mannelijk) , bal.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kogel , koegel , (= kogel); de prop van een proppenschieter, gewoonlijk kogeltjes van hijde (zie aldaar) gekauwd. Hoogduitsch Kugel. – Ook = schijtert (= stuiter); zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kogel , [kool] , kochel , (mannelijk) , Groote kool in de stoof. Zie bij glória en Janü̂̂arî.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kogel , koegel , kogel , (zelfstandig naamwoord) , Kogel. || Zo rond as ’en koegel. Hij vliegt as ’en koegel uit ’en stuk. Hy (schoot) hem een koegel door den kop …, dat hy stierf, SOETEBOOM, Ned. Schout. 252. Sonoy … heeft … het Kasteel beginnen aen te grijpen, ende de Mueren met Koeghelen soo geweldigh door-boordt, datter veel van des Hopmans Volck om den hals raeckten, SOETEBOOM, Stavoren 322. – De Holl.-Fri. vorm koegel komt ook bij de 17de-eeuwse Amsterdammers voor; b.v. BREDERO, Moortje 2978: “Wy stuuren altemet een twee, drie schepen uyt, vol botter, kaes, en broot, oock ketings, koegels, kruyt, d’welck wy verruylen an veel kostelycke waren” en herhaalde malen in HOOFT’s Ned. Hist. – Evenzo in Friesl., Gron. en Oost-Friesl. (HALBERTSMA 877; MOLEMA 214, KOOLMAN 2, 393). Zie verder FRANCK op kogel, GRIMM, D. Wtb. op kugel. – Vgl. koegelsteen, koegelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kogel , koegel* , kuugel , (Hoogduitsch Kugel), ook = kogel in ’t algemeen, de oe eenigszins slepend; dit woord is met schoet* (schuut) een der weinige voorbeelden van verandering der o of oo in oe of uu; “koegel” ook in ’t Nederlandsch der 17e eeuw.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kogel , kochel , (mannelijk) , Groote kool in de stoof. = Glória, Janü̂arî.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kogel , kogel , keugel , keugelke , kogel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kogel , kůůegel , [kůegǝl] , mannelijk , kůůegels , küüegeltien , kogel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kogel , koegel , kogel
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kogel , koegel , zelfstandig naamwoord de , Verouderde variant van kogel. Vgl. Fries kügel. Zegswijze loupe as ’n koegel uit ’n stuk, heel hard lopen. Eigenlijk als een kogel uit een stuk geschut.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kogel , keugeltje , kogeltje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kogel , koegel , kogel , de , koegels , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook kogel (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. kogel ’n Hert maj niet met hagel schieten dat möt met ’n koegel (Sle), Doe was de kogel deur de karke doe was het veur mekaar (Klv), Zo hard as ’n koegel (Sle) 2. ijzeren balletje, stuiter (van metaal) Veur neutieschieten hadden wij ’n mooie dikke koegel (Schn), Met ’n dikke koegel pik wij de knikkers oet het pottie (Eex) 3. (vaak verkl.) kogel uit kogellager In een fiets zit ok koegelties (Emm) 4. dik rond snoepje Het kind had ’n dikke koegel in de mond (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kogel , kogel , kogel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kogel , koegel , kogel , zelfstandig naamwoord , de; 1. kogel voor kanon of ander schietwapen 2. dikke bol, knikker van ijzer of ander metaal 3. glazen kogel uit een kogelflesje 4. elk der ballen bij het kegelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kogel , koegel , 1. kogel; 2. grote hoed (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kogel , koogel , zelfstandig naamwoord , koot van het paardenbeen (Tilburg en Midden-Brabant); koogel;kap van de imker (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kogel , kogels , stalen knikkers. Het waren massief ijzeren ballen, die in gewicht varieerden van ongeveer 20 gram tot één kilo en geplaatst werden in de schotten van schepen om ze in evenwicht te houden of meer diepgang te geven. Eenmaal verroest werden de scheepskogels soms te koop aangeboden
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
kogel , koogel , zelfstandig naamwoord , kogel; WBD koogel, (Hasselt) koowgel - koot v.e. paard, ook 'haorbaand' genoemd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kogel , kogel , keugel , keugelke , kogel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal