elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kol

kol , kol , pit. Zoo spreekt men van bruidskol, wanneer men datgene bedoelt, wat in de bruidsuiker zit.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
kol , kol , (vrouwelijk) , kollen , witte ronde plek voor het hoofd van een paard.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kol , kol , witte plek voor den kop van een paard, onderscheiden in den vorm van: bles; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kol , kòlle , (vrouwelijk) , kleine witte plek midden op het voorhoofd (voornl. van vee).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kol , kol , kolle , witte plek voor den kop van een paard, onderscheiden in den vorm van: bles; ook Drentsch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kol , kol , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , In de naam van verschillende stukken land. Thans naar het schijnt onbekend. || In Jan Pieter Dircksz.-weer: ’t kol; in dito weer: ’t kol acker, Polderl. Oostz. II (a° 1742). De colle veentges, 82 roe, Polderl. Assend. II f° 218 v° (a° 1600). Noch 2 colle veen strepen aende vaert, Polderl. Westz. III f° 52 r° (a° 1644). – Omtrent de bet. van kol is niets met zekerheid bekend. Het woord komt in verschillende plaatsnamen in N.-Holl. en Friesl. voor (Kolhorn, Kollum, enz.); vgl. Mnl. Wdb. III, 171 op colham.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kol , kol , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij vissers. Een bot die aan beide kanten zwart is. De kollen hebben dus geen witte onderkant zoals de gewone botten. – In W.-Friesl. noemt men de kleine nachtvlinders of motten, die des avonds om het licht vliegen, kollen. – Vgl. Gron. meerkol, Vla. waterkalle, waterspook, koet, de zwarte vogel, en toverkol, toverheks; zie Tijdschr. 9, 234.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kol , kol , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verkl. koltje. Ronde, witte plek op het voorhoofd van paarden en koeien. Zie de wdbb. || ’t Iene kalf het ’en hart (hartvormige plek) voor zijn kop en ’t aâre ’en koltje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kol , kòlle , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kòln , kùlken , witte plek voor de kop, bij vee
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kol , kol , Hebr. KOL = stem. Gaazn hèt ’n beste kol. Ook in de zin van hard geluid: Zet nait zo’n kol op. Dij hèt ’n kol as ’n oele (= fabrieksschoorsteen).
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
kol , kol , zelfstandig naamwoord de , Heks. Zegswijze op de kol raaie. 1. Gek zijn of worden, zijn hoofd verliezen. | Ik ree op de kol van de jeuk. 2. Kwaad worden. Verkleinvorm kolke. Liefje, schatje. Letterlijk heksje. | Wat is ’t toch ’n pittig kolke.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kol , kol , zelfstandig naamwoord , kleine witte streep op het hoofd van een paard of de kop van een koe (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie ook *bles . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 39). Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
kol , kolle , heks.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kol , köl , kol, kölle, kölling, költe, kölde , de, het , köllen , (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe). Ook kol (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord), kölle (Zuidwest-Drenthe, zuid), kölling (Zuidoost-Drents zandgebied), költe of kölde (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. kol Konen en ook wel pèerde haren wel ies ’n költe veur de kop (Die), Een koolmees hef ’n zwarte kölling (Sle), Köllen waren: een druupkölle, een snebkölle, een grote kölle, een schieve kölle en een klein köllegien (Zdw) 2. koe of paard met kol Neem ie de broene, dan neem ik de kölle mee naor de stal (Bro) 3. blosje (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie was wat koorzig, hie har köllen op de wangen (Sle) 4. losse witte halsboord, bef (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Bij de klederdracht van de manlu heurt een witte of zwarte bef of köllegie (Bei) 5. oogvuil (Midden-Drenthe) Man ie moet je ’s morgens de ogen ies oetwassen, ie hebt ja nog köllen in de ogen (Hoh) 6. kern van negenoog (Zuidoost-Drents zandgebied) As die köl der mor oet is, dan begunt e weer te zachten (Sle) 7. dood weefsel (Zuidoost-Drents zandgebied) De erpel leken mooi, maor aj ze deursneen zat er binnenin vaak een köl (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kol , kòlle , (Kampereiland, Kamperveen) ronde of driehoekige witte vlek op het voorhoofd van een koe of paard
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kol , kolle , köllechien , witte vlek voor de kop van een paard of koe, kol.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kol , költien , zelfstandig naamwoord , et; kleine kol, klein blesje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kol , kol , zelfstandig naamwoord , kolle , kollechie , [O] 1. pit van vrucht Manderijne zitte vol met kollechies 2. ronde witte plek op het voorhoofd van een paard (niet hetzelfde als bles) Zie ook bles
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kol , kolle , (zelfstandig naamwoord) , kol, heks.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kol , kolle , (zelfstandig naamwoord) , witte vlek op de kop van paard of koe.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kol , kolle , 1. voorhoofd; 2. witte vlek op het voorhoofd.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kol , kol , zelfstandig naamwoord , bles, witte vlek op het voorhoofd (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kol , kol , kollechie , pit, pitje (in ’n appel)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
kol , kòl , kol , zelfstandig naamwoord , WBD witte vlek op het voorhoofd van een koe (zowel kòl als kól); WBD 'kol', (Hasselt:) 'kol' - wit stervormig vlekje op het voorhoofd van een paard, ook 'drèùpkòl' genoemd; Bont znw.m. 'kòl' - kleine witte plek aan het voorhoofd v.e. donkerharig paardWNT KOL (II) - 1) voorhoofd of voorhoofdsbeen v.e. paard of rund 2) witte plek op het voorhoofd v.donkerharige paarden of runderen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal