elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kommerlijk

kommerlijk , kummelijk , kummelik , gemelijk, ontevreden, lastig.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kommerlijk , kummelek , kieskeurig, kommervol.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kommerlijk , kummeluk , veul zörg nuëdig hebbe; precies ziën.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
kommerlijk , kummelijk , 1) lastig van humeur, vervelend; 2) zwak. hoe is’tr mi? nou, ‘t is mar kummelijk, hoe gaat het er mee? nou, ik voel me niet zo best.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kommerlijk , kummelek , lastig
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kommerlijk , kummelek , humeurig , Wa bénde toch kummelek de lésten teijd. Wat ben je toch humeurig de laatste tijd.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kommerlijk , kummeleg , bijvoeglijk naamwoord , korzelig, klagerig, ziekelijk, zorgelijk (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal