elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koninkje

koninkje , koninkien , zelfstandig naamwoord , et 1. verkleinwoord bij keuning 2. winterkoninkje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
koninkje , keuniñkie , koniñkie , zelfstandig naamwoord , keuniñkies, koniñkies , kleinste big uit een nest Ze hebbe ’t keuniñkie mette fles grôôtgebrocht Ze hebben het kleinste biggetje met de fles grootgebracht Ook koniñkie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
koninkje , kunninkske , zelfstandig naamwoord , koninkje, kleinste dier van het nest (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal