elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kortoor

kortoor , kortórre , kinderen , És'se vraoge hoeveul kortórre dég'ge héd dan beduule ze daor 'w kénder meej. Als ze vragen hoeveel kroost je hebt dan bedoelen ze daar je kinderen mee.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kortoor , kortor , snotaap
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kortoor , kortoor , zelfstandig naamwoord , klein kind (Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant); kortórre; meervoud; kinderen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
kortoor , kòrtoore , zelfstandig naamwoord, meervoud , Frans Verbunt: kleine kinderen; H. van Rijen (1988): kinderen; WNT KORTOOR - 1) persoon of dier met korte of gekorte ooren, bepaaldelijk gezegd van paarden.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal