elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krik

krik , krikke , (vrouwelijk) , een kleine jonge. Isl. kracki, kleine jonge.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
krik , krik , (zelfstandig naamwoord) , boschkool.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
krik , krikke , taling.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
krik , krikke , (vrouwelijk) , taling.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
krik , kruk , scheldwoord tegen een ongezeggelijk meisje. Westfaalsch krucks = klein, onaanzienlijk mensch. Vgl. krikke.
meisje dat licht boos wordt; ’t is ’n kwoad kruktje = zij durft er wel wezen. Vgl.: krikke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krik , krikke , soort van schimpwoord voor iemand die spoedig boos is, een lichtgeraakt, netelig mensch, en synoniem met: neetoor, netekam, en: kreek. Vgl. krikkemikken, alsook: krieken, als bijvorm van: krak, en: kraken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krik , krik , een weinig ongesteld, zich niet wèl gevoelend; wordt vooral van vrouwen gezegd. Eigenlijk zooveel als: iets dat kraakt.
(te Woltersum) = lichtgeraakt, kitteloorig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krik , krik , (zelfstandig naamwoord) , vr. Meestal in verkl. krikkie. Een kleine stoot of zet, een kleinigheid. Vgl. krab 2. || Hij moet nog ’en krik hebben, dan is-i gelijk (van een klok die gelijk gezet wordt). De tafel moet nag ’en krikkie verschoven worre. Nag ’en krikkie meer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krik , krikke , vrouwelijk , hefboomwerktuig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
krik , krikke , Taling. Ook bij Kiliaan. Dit woord opslaande, vind ik toevallig kricke-micke, q.d. kercke-micke: panis candidus in templo sacerdotibus distribui solitus etc. en herinner mij dikwijls te hebben hooren gebruiken de spreekwijs: hij zei geen kik of mik, van iemand die, zo als men zegt, bot stil zwijgt. Of deze dingen in eenig verband staan, weet ik niet; maar geef het ter speculatie aan de Letterkundigen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
krik , krikke , zelfstandig naamwoord , krikn , kriksken , taling
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
krik , krikkie , 1. krielkip. 2. krikkie of krikhoantje = klein persoon dat er best durft wezen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
krik , krikke , zelfstandig naamwoord , mv. houtskool. Vroeger werd de bakkersoven gestookt met musterd (takkebos). Het nagloeiende hout werd in de krikkebak (de doofpot) geschoven. De aldus ontstane houtskool heet krikke. Het woord komt alleen in het meervoud voor. Krikke werden o.a. gebruikt in strijkijzers.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
krik , krikke , toestel om een wagen op te krikken.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
krik , [klein, bijdehand kind] , krikke , klein, bijdehand kind.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
krik , krikke , krik.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
krik , krik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = beetje ziek Griet belde mij op, dat Jan een beetien krik is (Bui), (zelfst.) Zij is aordig an de krikke sukkelt (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krik , krik , krikke , de , krikken , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook krikke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengeb. Oost-Drenthe) = krik, hefwerktuig Zij zetten de krik onder de waogentoet (Een), Aj de waogen smeren muzzen, deden ie hom op de krik (Eev), zie ook doemkracht
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krik , krik , krikke , de , krikken , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook krikke (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = vinnig, snibbig of ongedurig persoon Mit dat kind wil gain aine speulen, dat is ain krikke (Twe), ...een krikkie (Hgv), Snauw toch niet zo krik! (Nor), Een krik is ain, die gauw op de tonen trapt is (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krik , krik , de , krikken , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook krikke (Zuidwest-Drenthe, veengeb. Oost-Drenthe), vaak verkl. = 1. klein soort eend, taling Der zit een paar krikken in het water (Man), Een krikke weggeven um een entveugel te vangen iets weggeven om veel meer binnen te halen (Die), zo ook Mit ’n krikke naor ’n entveugel gooien (N:Zuidwest-Drenthe), zie ook bij worst (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) 2. krielhoen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), Wij hebt een krikkie op eier zitten (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krik , krikkien , 1. klein persoon; 2. taling (winterkrikkien of zomerkrikkien). Zie ook: krikänte
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
krik , krikke , krik , zelfstandig naamwoord , de; 1. krik voor het opkrikken van auto’s e.d. 2. taling, wintertaling 3. oud paard dat niet veel meer kan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krik , krik , bijvoeglijk naamwoord , enigszins mank lopend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krik , krikke , zelfstandig naamwoord , stukjes verkoolde turf die in de oven hadden gelegen, zij werden aan de kerkdeur door de koster voor de stoven verkocht Krikke koch ie bij d’n bakker, ze gebruikte ze in de strijkboute Verkoolde turf kocht je bij de bakker; ze werden gebruikt in de strijkbouten Zie ook dop (verkoolde scheven)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
krik , krikke , (zelfstandig naamwoord) , 1. krik van de auto; 2. klein bijdehand kind.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
krik , krik-änte , krik-ente, krikkelänte , 1. waterhoen; 2. meerkoet.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
krik , krikke , zelfstandig naamwoord, meervoud , houtskool (West-Brabant; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
krik , [takkenbos] , krik , (vrouwelijk) , krikke , takkenbos, zie ook sjanse
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
krik , krieke , krikke , zelfstandig naamwoord , "houtskool; WBD krieke - houtskool (de verbrande houtresten); N. Daamen - handschrift 1916 - ""krieken of krikken - houtskool""; WBD (III.2.1:250) 'krik' c.q. 'houskool'; WBD (III.2.1:256) 'krikken' = bluskool, ook genoemd: 'brandende as', of 'sintels'; Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln. 1988-1994. - krikke (III:20),(VI:44,VII:54); Jan Naaijkens, Dè's Biks - 1992 - krikke zn mv - houtskool; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KRIEKEN v., alleen mv.: houtskool. WNT: in Limb., de Kempen en Brab. een benaming voor houtskool, inz. brandende houtskool. Z.a. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KRIEKEN worden hier genaamd de bakkers-houtskolen van takken-bossen of ander klein hout. Z.a. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder d’Oerse taol, 1958 etc. - ; KRIKKEN (totaal uitgedoofde) houtskool, voor vulling v. strijkijzers. Z.a. Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIK znw.v. - houtskool, inz. brandende"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal