elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krikkel

krikkel , krikkel , (bijvoeglijk naamwoord) , 1) netelig, moeiëlijk; 2) opvliegend, gramstorig, hetzelfde als kregel, kriegel, krekelig. Vgl. krekelen. Spoedig toornig, driftig. , 1) Die zaak, dat proces is - . Ook voor lichtelijk gestoord. B.v. Hij is een krikkel man.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
krikkel , krikkel , erg droog , De waas is te krikkel geworre um ze te striike, ik zal meej wôtter moete sprènkele. De was is te droog geworden om ze te strijken, ik zal met water moeten sprenkelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
krikkel , krikkel , bijvoeglijk naamwoord , fragiel, gevoelig (Tilburg en Midden-Brabant); krikkel; prikkelbaar (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
krikkel , krikkel , bijvoeglijk naamwoord , teer, secuur; korzelig, geprikkeld; fragiel; Henk van Rijen – 'priegel' - erg klein, secuur; Lozziemaoken is en krikkel wèèrk; Pierre van Beek –  en krikkel geval - een teer geval; Cees Robben – Ons Ketoo is toch zôô krikkel, war.. ge het ze zôô op de kaast... (19840413); Cees Robben – Wè-dis onze pa toch krikkel, moeder... (19710611); Audioregistratie 1978 – “Onze vadder dè was enen èchte bondsman, war, mar omdèttie meej alles goed meej et febriek öt de wèg kos, kossie nòg al es en woordje zègge bij de petrôon mar (…) ast mar zonne krikkele was…” (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels); Henk van Rijen - wèt is et tòch en krikkel bòske - ... een teer knaapje; Stadsnieuws -  Ons buurvrouw waar mar en krikkel meenske, mar kwèèke dèsse kos. (181009); Piet van Beers – ‘Naoderhaand moete nie maauwen’: ...jè, dè blyft 'n krikkel ding. (With Love; 1982-1987); Piet van Beers – ‘Nòdderhaand moete nie maawe’: jè, dè blèèft 'n krikkel ding. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005); WBD III.4.2:36 krikkel - schuw (v.e. dier); ook; bang, 'schichtig'; Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIKKEL bvw - oploopend, gauw gestoord, korzelig; Verh.KRIKKEL bijvoeglijk naamwoord  - hachelijk, kritiek, kregel; (van melk gezegd) op het punt staande zuur te wordenWNT KRIKKEL bijvoeglijk naamwoord  Het woord wordt (uitsluitend in een deel van Zuid-Nederland) in eenige uiteenloopende beteekenissen gebezigd, maar behoort waarschijnlijk toch in alle opvattingen bij het ww. KRIKKEN. 1. licht breekbaar; 2. weinig kunnende verdragen, oploopend, lichtgeraakt, korzelig. Z.aA.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder d’Oerse taol, 1958 etc. - ; kr?k?l, bijvoeglijk naamwoord  1) licht breekbaar, teer; 2) weinig kunnende verdragen, licht geraakt.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal