elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krip

krip , krepke , m , krasje krepke smiete krasje gooien (kinderspelletje)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
krip , krèp , zelfstandig naamwoord , zie kèrmenaaj.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
krip , krip , kript , het , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook kript (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = crêpe, krip Krip um de hoed, ’n zwarte baand der umme aj in de rouw waren (Hgv), Kript zat over de hooud hen en veur het gezicht langs (Eex), Hiel vrogger weurden de stiften van het ooriezer nog met kript bedekt (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krip , krèp , 1) insnijding, kerf; 2) aars, achterste; 3) stuk rookvlees.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
krip , krip , (Kamperveen) zwarte stof, gebruikt bij een rouwplechtigheid
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
krip , krép , snee , Ik héb me toch 'n krép in munne vinger, m'n mès schóót ût én't was al gebéúrd. Ik heb me toch een snee in mijn vinger, m'n mes schoot uit en het was al gebeurd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
krip , kript , krip , zelfstandig naamwoord , et; krip: bep. veelal zwarte, doorschijnende stof, nog iets fijner dan tule, vooral bekend van rouwsluiers
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krip , krap , uitdrukking , De natte krap (uitdr) [O] het stuk van de hals van het geslachte varken om de plaats heen waar het is gestoken (werd meestal aan de armen gegeven)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
krip , krèp , rookvlees
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
krip , krip , haché , luste gij nog wa krip Jaoneke, da’s lekker om dur oew èèrepel te bouwe = wil jij nog wat haché Janus, dat is lekker om door je aardappelen te prakken-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
krip , krèp , zelfstandig naamwoord , snee, diepe schram (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
krip , krep , kripke , zelfstandig naamwoord , varkensfilet (Tilburg en Midden-Brabant); kripke; verkleinwoord; reepje spek (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
krip , krepke , (onzijdig) , krepkes , kerf, insnijding. Als ze vroeger een grote hoeveelheid graan of aardappelen moesten wegen, zetten ze bij iedere gewogen zak een insnijding in een stuk hout. Schertsend zeiden ze dan: ‘Neet vergaete, anges maak ich dich ei krepke in dien oeare.’
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
krip , krèp , zelfstandig naamwoord , karbonade; crêpe, (gekroest weefsel); Cees Robben - ...of wilde krep...  (19550205); WBD bepaald zijden, kunstzijden of wollen weefsel (II:860); WBD III.2.3:50 'krip' = lapje spek; WBD III.2.3:61 gebraden varkensrib; WBD III.2.3:54 'krip' = gerookt vlees; WBD III.2.3:63 'krip' = karbonade; Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln. 1988-1994. - kripke spek (I:50); Jan Naaijkens, Dè's Biks - 1992 - krèp zn = kèrmenaaj; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KREP (krèp) m - carbonade (ook: kermenèèj), deel v.h. geslachte varken dat naar de pastoor gebracht wordt. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder d’Oerse taol, 1958 etc. - krap, znw.vr. - karbonade met twee, drie, soms vier ribben aaneen. WNT KRIP (II), krep, znw.vr., mv. -pen. Van onzekeren oorsprong. Benaming voor een lapje vleesch, in verschillende streken in verschillende toepassingen. Z.a. Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KREP of KRIP znw.m. - snede spek of hesp
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal